Banner warvictims.fgov.be

Wetteksten


11 APRIL 2003. - Wet houdende nieuwe maatregelen ten gunste van de oorlogsslachtoffers (1).

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Artikel 1.

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II. - Verhogingen van de rente van werkweigeraar of gedeporteerde

Art. 2.

Artikel 4, § 2, van de wet van 12 december 1969 tot instelling van een lijfrente ten voordele van de gedeporteerden van de oorlog 1914-1918 en van de werkweigeraars en de gedeporteerden voor de verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945 wordt aangevuld met de volgende leden :

« Evenwel, wanneer de periode tijdens welke zij hebben behoord tot de categorie van de gedeporteerden of de werkweigeraars, als zodanig erkend krachtens hun statuut, ten minste één jaar bedraagt of wanneer de periodes tijdens welke zij tot deze twee categorieën hebben behoord, door samentelling ten minste in totaal 365 dagen tellen, wordt een verhoging van het jaarlijkse bedrag van de rente van weggevoerde en werkweigeraar toegekend overeenkomstig de hierna volgende tabel :

  • Periode Bedrag van 1 januari 2003 tot 31 december 2003 78,84 EUR
  • van 1 januari 2004 tot 31 december 2004 157,68 EUR
  • van 1 januari 2005 tot 31 december 2005 236,52 EUR
  • vanaf 1 januari 2006 315,36 EUR

De nieuwe, in het vorige lid bepaalde rentebedragen worden persoonlijk toegekend aan de titularissen van de rente; ze kunnen niet worden toegekend aan hun weduwen of wezen.

Voor zover de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn, worden de nieuwe rentebedragen, zoals ze worden vastgesteld in het tweede lid, ambtshalve door de Nationale Kas voor Oorlogspensioenen toegekend aan de personen die op 1 januari 2003 een rente van weggevoerde of werkweigeraar genieten.

De nieuwe bedragen worden eveneens ambtshalve toegekend, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de indiening van de aanvraag, aan de personen van wie de rente is ingegaan tussen 1 januari 2003 en de datum van bekendmaking van deze bepalingen in het Belgisch Staatsblad.

De renteaanvragen die zijn ingediend vóór de bekendmaking van deze bepalingen in het Belgisch Staatsblad en waarover op die datum nog geen beslissing is genomen, gaan, wat deze verhoging betreft, ten vroegste in op 1 januari 2003.

In alle andere gevallen gaat de verhoogde rente in op de eerste dag van de maand die volgt op de indiening van de renteaanvraag.

De verhoogde rente wordt vooraf en per kwartaal uitbetaald. Ze wordt verworven per maand; de volle termijn blijft evenwel verworven indien de betaling is verricht. »

Art. 3.

Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.

HOOFDSTUK III - Bepalingen betreffende de renten van de oorlogsweduwen

Art. 4.

Artikel 47, § 2, van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of een daarmede gelijkgestelde plicht, gewijzigd bij de wetten van 12 april 1973 en 17 juli 1975, wordt aangevuld met het volgende lid :

« Indien een of meer uittreksels uit de akten van de burgerlijke stand niet worden ingediend, kan dat worden ondervangen door een document waarop de bij het Rijksregister verkregen inlichtingen vermeld staan; dat document wordt ondertekend door een van de ambtenaren die daartoe gemachtigd zijn door de minister die de vergoedingspensioenen onder zijn bevoegdheden heeft.

Art. 5.

Artikel 46, § 2, van de wet van 23 december 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten gunste van de burgerlijke slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945 en van hun rechthebbenden, wordt aangevuld met het volgende lid :

« Indien een of meer uittreksels uit de akten van de burgerlijke stand niet worden ingediend, kan dat worden ondervangen door een document waarop de bij het Rijksregister verkregen inlichtingen vermeld staan; dat document wordt ondertekend door een van de ambtenaren die daartoe gemachtigd zijn door de minister tot wiens bevoegdheid de oorlogsslachtoffers behoren. »

Art. 6.

Artikel 3, tweede lid, van de wet van 7 juni 1989 houdende maatregelen ten gunste van de personen die het statuut bezitten van verplicht ingelijfde bij het Duitse leger en hun rechthebbenden wordt vervangen als volgt :

« De weduwen kunnen deze rente evenwel slechts krijgen indien hun huwelijk ten minste 10 jaar geduurd heeft. »

Art. 7.

Artikel 5, § 4, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« § 4. Geen recht wordt geopend voor de kinderen van wie de moeder geen aanspraak kan maken op de rente omdat haar huwelijk niet ten minste 10 jaar heeft geduurd. »

Art. 8.

Artikel 8, § 2, van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :

« Indien een of meer uittreksels uit de akten van de burgerlijke stand niet worden ingediend, kan dat worden ondervangen door een document waarop de bij het Rijksregister verkregen inlichtingen vermeld staan; dat document wordt ondertekend door een van de ambtenaren die daartoe gemachtigd zijn door de minister die de vergoedingspensioenen onder zijn bevoegdheden heeft. »

Art. 9.

In artikel 50 van de wet van 18 mei 1998 tot wijziging van de wetgeving betreffende de oorlogspensioenen en -renten wordt § 3 opgeheven.

Art. 10.

Het voordeel van de rente voortvloeiend uit de wijzigingen aangebracht door de artikelen 6 en 9 is afhankelijk van een aanvraag ingediend bij de minister die, naargelang van het geval, de vergoedingspensioenen of de belangen van de oorlogsslachtoffers onder zijn bevoegdheden heeft. Deze rente vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de aanvraag werd ingediend. Ze vangt evenwel aan op 1 januari 2003 wanneer de aanvraag wordt ingediend voor het einde van de derde maand die volgt op die waarin deze wet zal zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Art. 11.

Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.

HOOFDSTUK IV. -Maatregelen ten gunste van de joodse slachtoffers en van de zigeunerslachtoffers

Art. 12.

§ 1. De personen die de volgende voorwaarden vervullen :

1° in België hebben verbleven op 10 mei 1940;
2° de Belgische nationaliteit niet hebben bezeten op 10 mei 1940, maar ze na die datum hebben verworven en ze behouden hebben tot 1 januari 2003;
3° gearresteerd geweest zijn in België en gedeporteerd geweest zijn naar Duitsland of door Duitsland bezette gebieden buiten België gedurende de Tweede Wereldoorlog tengevolge van de door de bezettende overheid van het land genomen anti-joodse maatregelen of tengevolge van maatregelen die diezelfde overheid tegen de zigeuners heeft genomen;
4° gedeporteerd geweest zijn gedurende een periode van tenminste zes maanden in het totaal, naar een of meer van de landen bedoeld in 3°; hebben, vanaf 1 januari 2003, het recht om onder dezelfde voorwaarden en volgens de dezelfde nadere regels de voordelen ten gunste van de houders van het statuut van politieke gevangene te krijgen wat de oorlogspensioenen en de oorlogsrenten betreft.

§ 2. Paragraaf 1 is evenwel niet van toepassing op de personen die in aanmerking kwamen of daartoe de voorwaarden vervulden om het voordeel te krijgen van de wet van 26 februari 1947 houdende regeling van het statuut der politieke gevangenen en hun rechthebbenden of de wet van 5 februari 1947 tot regeling van het statuut der vreemdelingen politieke gevangenen zoals ze luidde voordat ze bij de wet van 26 januari 1999 werd gewijzigd.

§ 3. De geldig ingediende aanvraag om het voordeel te genieten van § 1 heeft uitwerking vanaf 1 januari 2003 voor zover de aanvraag wordt ingediend voor het einde van de derde maand die volgt op die waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad zal zijn bekendgemaakt.

Art. 13.

De rechtverkrijgenden van de personen die effectief een pensioen of een rente toegekend met toepassing van artikel 12, § 1, hebben genoten, hebben het recht om tegen dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde nadere regels de voordelen ten gunste van de rechthebbenden van de houders van het statuut van politieke gevangene te krijgen wat de oorlogspensioenen en oorlogsrenten betreft.

Art. 14.

De beslissingen die ten overstaan van de personen bedoeld in artikel 12 of 13 zijn genomen door de Commissie voor vergoedingspensioenen of door de minister die de vergoedingspensioenen onder zijn bevoegdheid heeft, zijn in graad van beroep onderworpen aan de Commissie van beroep voor vergoedingspensioenen.

Art. 15.

§ 1. Er wordt een persoonlijke lijfrente ingesteld gelijk aan 4 semesters van de rente als werkweigeraar, daarin begrepen de verhoging bedoeld in artikel 2 van deze wet, ten voordele van elke persoon :
a) wiens vader en moeder, die vanuit België zijn weggevoerd ten gevolge van de rassenvervolgingen van de bezetter, tijdens de deportatie zijn overleden, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° nog geen 21 jaar zijn geweest op 10 mei 1940;
2° Belg zijn op 1 januari 2003;
3° in België hebben verbleven op 10 mei 1940, met uitzondering van de personen die na 10 mei 1940 zijn geboren uit ouders die op die datum en tot hun deportatie in België verbleven;
4° geen wezenpensioenen op grond van de wetten op de herstelpensioenen, gecoördineerd door het Besluit van de Regent van 5 oktober 1948 genieten of hebben genoten, noch wezenpensioenen of uitkeringen hebben ontvangen op grond van artikel 6, § 4, van de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945, zoals het luidde voordat het werd gewijzigd bij de wet van 18 mei 1998, en evenmin de vergoeding of rente hebben ontvangen als bepaald bij het Franse decreet van 13 juli 2000 tot instelling van een herstelmaatregel voor de wezen wier ouders het slachtoffer waren van jodenvervolgingen.
b) of die, onderworpen aan de door de bezetter genomen maatregelen van rassenvervolging, werd gedwongen in de illegaliteit te leven, voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° in België hebben verbleven op 10 mei 1940, met uitzondering van de personen die na 10 mei 1940 zijn geboren uit ouders die op die datum en tot hun deportatie in België verbleven;
2° Belg zijn op 1 januari 2003;
3° geen invaliditeitspensioen op basis van de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen van de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 genieten of daar niet toe gerechtigd zijn in geval van toepassing van artikel 5 van voornoemde wet.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op personen die aanspraak kunnen maken op het voordeel van artikel 12.
§ 3. Krachtens dit artikel kan slechts één rente per persoon worden toegekend.

Art. 16.

De rente bedoeld bij artikel 15 is jaarlijks vastgesteld op :
- 241,07 EUR van 1 januari 2003 tot 31 december 2003;
- 319,91 EUR van 1 januari 2004 tot 31 december 2004;
- 398,75 EUR van 1 januari 2005 tot 31 december 2005;
- 477,59 EUR vanaf 1 januari 2006.

Art. 17.

§ 1. Om het voordeel van artikel 15 te kunnen genieten, moeten de betrokkenen, bij een ter post aangetekende brief, aan de Dienst voor de Oorlogsslachtoffers een aanvraag richten samen met een getuigschrift van goed zedelijk gedrag dat minder dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag werd uitgereikt.

§ 2. De aanvraag bevat alle nodige bewijsstukken en in het bijzonder de akten van de burgerlijke stand die de afstamming ten opzichte van de overleden ouder bewijzen. Indien een of meer uittreksels uit de akten van burgerlijke staat niet worden ingediend, kan dat worden ondervangen door een document waarop de bij het Rijksregister verkregen inlichtingen vermeld staan; dat document wordt ondertekend door een van de ambtenaren die daartoe gemachtigd zijn door de minister tot wiens bevoegdheid de oorlogsslachtoffers behoren.

§ 3. De beslissing waarbij de wezen worden erkend als rechtverkrijgende van een gerechtigde op het statuut van politieke gevangene, geldt als bewijs van de burgerlijke staat van de wezen en hun ouder.

§ 4. De belanghebbenden tonen met alle rechtsmiddelen aan dat zij voldoen aan de gestelde voorwaarden.

Art. 18.

De minister tot wiens bevoegdheden de belangen van de oorlogsslachtoffers behoren doet uitspraak op stukken via een met redenen omklede beslissing. Hij kan, op zijn verantwoordelijkheid en onder zijn controle, de bij deze wet toegekende bevoegdheden overdragen aan een of meer ambtenaren van de Dienst voor de Oorlogsslachtoffers.

Art. 19.

§ 1. De door artikel 15 ingestelde rente gaat in vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de indiening van de aanvraag. Evenwel, vangt zij aan op 1 januari 2003 wanneer de aanvraag wordt ingediend voor het einde van de derde maand die volgt op die waarin deze wet zal zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Voor die rente gelden dezelfde redenen van uitsluiting en verval als die welke zijn opgesomd in de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden.

§ 2. De renten worden uitbetaald door de Nationale Kas voor Oorlogspensioenen, volgens de regels van uitbetaling, verval, onoverdraagbaarheid en onvatbaarheid voor beslag die gelden voor de pensioenen van de burgerlijke oorlogsslachtoffers van de oorlog 1940-1945. De rente wordt vooraf en per kwartaal betaald. Ze wordt verworven per maand; de volle termijn blijft verworven indien de betaling is uitgevoerd.

Art. 20.

§ 1. Geen enkele aanvraag kan postuum worden ingediend.

§ 2. Het overlijden van de verzoeker maakt een einde aan de procedure.

Art. 21.

§ 1. De bedragen van de renten als bedoeld in artikel 16 van deze wet zijn gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfers van de consumptieprijzen volgens de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Ze zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.

§ 2. De Koning kan een ander spilindexcijfer vaststellen dan dat wat bepaald is in § 1, tweede lid.

§ 3. De nieuwe basisbedragen die voortvloeien uit de toepassing van § 2 worden vastgesteld door de Koning.

Art. 22.

Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.

Kondigen deze wet, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 11 april 2003.

ALBERT

Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT

Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN


Nota

(1) Zitting 2002-2003

Kamer van volksvertegenwoordigers
Parlementaire bescheiden : Wetsontwerp nr. 2273/1. - Amedementen nrs. 2273/3, 2273/7, 2273/10. - Verslagen nrs. 2273/5, 2273/8. - Advies van de Raad van State nr. 2273/4.-Tekst aangenomen door de Commissie nr. 2273/6, 2273/9.

Parlementaire handelingen :
Tekst aangenomen op 13 maart 2003. Senaat : Parlementaire bescheiden : Wetsontwerp overgezonden door de Kamer nr. 1534/1.
Bespreking en aanneming : 27 maart 2003.


Copyright © 2008 Belgische Federale Overheidsdiensten | Disclaimer