Banner warvictims.fgov.be

Wetteksten


MINISTERIE VAN JUSTITIE

N90 - 948

12 APRIL 1990. - Koninklijk besluit betreffende het instellen van het statuut van nationale erkentelijkheid ten gunste van de mannen die zich bij de recruteringscentra van het Belgisch leger 1940 hebben gevoegd (R.C.B.L)

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het decreet van 3-22 augustus 1790 "concernant les pensions, gratifications et autres récompenses nationales" inzonderheid op artikel 4 van titel I;
Gelet op het advies van de Hoge Raad voor oorlogsinvaliden, oudstrijders en oorlogsslachtoffers van 16 Januari 1989; Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 27 juli 1989;
Gelet op het advies van de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en van Onze Staatssecretaris voor de Oorlogsslachtoffers en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

HOOFDSTUK I. - De begunstigden

Artikel 1.

In dit besluit:
1° wordt met "de hoedanigheid van R.C.B.L.-er" de hoedanigheid bedoeld die wordt toegekend aan iedere man van zestien tot vijfendertig jaar die gehoor heeft gegeven aan de oproep die de Regering in mei 1940 heeft gedaan om zich vanaf 10 mei 1940 op de recruteringscentra van het Belgisch leger te vervoegen en wiens periode dat hij afwezig was in zijn haardstede, nader omschreven wordt in artikel 5;
2° is "de Minister, " de Minister tot wiens bevoegdheid de oorlogsslachtoffers behoren.

Art. 2.

De hoedanigheid van R.C.B.L.-er wordt toegekend aan de mannen bedoeld in artikel 1, 1°, onder voorwaarde dat zij de Belgische nationaliteit bezaten tijdens de periodes omschreven in artikel 5 en deze nog steeds bezitten bij het indienen van de aanvraag.

Art. 3.

Uitgesloten van het voordeel van dit besluit zijn de personen:
1° die veroordeeld werden tot een onvoorwaardelijke straf van minimum drie maanden wegens inbreuk op het militair strafwetboek, begaan tussen 10 mei 1940 en 10 september 1940;
2° die veroordeeld werden wegens misdaad of wanbedrijf tegen de uitwendige of inwendige veiligheid van de Staat;
3° die, vervallen verklaard van hun burgerlijke of politieke rechten krachtens de besluitwet van 19 september 1945 betreffende de epuratie inzake burgertrouw, deze rechten hebben herkregen krachtens de wet van 30 juni 1961 betreffende de epuratie inzake burgertrouw;
4° die vervallen verklaard werden van de Belgische nationaliteit krachtens de wet van 30 juli 1934 betreffende het verval van de nationaliteit en de besluitwet van 20 juni 1945 op het verval van de Belgische nationaliteit;
5° die in het buitenland veroordeeld werden wegens samenwerking met de vijand;
6° die vrijwillig voor de vijand hebben gewerkt toen ze de leeftijd van 18 jaar bereikt hadden op het ogenblik van hun verbintenis;
7° die hetzij veroordeeld werden tot een vrijheidsstraf van twee jaar of meer, hetzij vervallen zijn verklaard van hun burgerlijke rechten. De uitsluiting eindigt van rechtswege wanneer deze personen in eer hersteld zijn of hun burgerlijke rechten herwinnen.

HOOFDSTUK II. - De aanvraag en het onderzoek

Art. 4.

§ 1. Om het voordeel van dit besluit te kunnen genieten, moeten de belanghebbenden een aanvraag indienen, vergezeld, op straf van niet-ontvankelijkheid, van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag dat minder dan drie maanden voor de datum van de aanvraag is afgegeven. Deze moet bij een ter post aangetekende brief gericht worden aan de Bestuursafdeling voor de Oorlogsslachtoffers, binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 2. Onverminderd artikel 5, tweede lid, 4°, leveren de belanghebbenden met alle rechtsmiddelen bewijs van hun hoedanigheid van R.C.B.L.-er en van de periode die ze alzo doorbrachten.

Art. 5.

Om de hoedanigheid van R.C.B.L.-er te bekomen, moet de afwezigheid in de haardstede minstens tien dagen bedragen. Als deze afwezigheid:
1° meer dan tien dagen bedraagt, zonder dertig dagen te overschrijden, wordt de in aanmerking genomen periode op één maand gebracht;

2° meer dan dertig dagen bedraagt, zonder zestig dagen te overschrijden, wordt de in aanmerking genomen periode op twee maanden gebracht;

3° meer dan zestig dagen bedraagt, zonder negentig dagen te overschrijden, wordt de in aanmerking genomen periode op drie maanden gebracht;

4° meer dan negentig dagen bedraagt, beantwoordt de in aanmerking genomen periode aan de werkelijke periode, die uitsluitend door oorspronkelijke gegevens te bewijzen is. Met afwezigheid in de haardstede na 10 september 1940, wordt geenszins rekening gehouden. Voor de berekening van de in aanmerking te nemen periode, worden de dag van het vertrek uit de haardstede en de dag van de terugkeer, als hele dagen beschouwd.

Art. 6.

De Minister doet uitspraak over de aanvragen, die overeenkomstig artikel 4 werden ingediend. Hij motiveert zijn beslissing, die aan de verzoeker betekend wordt bij een ter post aangetekende brief.

Art. 7.

Elke beslissing, getroffen overeenkomstig artikel 8, kan herzien worden wegens dwaling in feite of in rechte of ten gevolge van het overleggen van nieuwe gegevens die de herziening wettigen.

Art. 8.

§ 1. De herziening wordt gevorderd hetzij door de Minister die de belanghebbende ervan op de hoogte brengt, hetzij door deze zelf die een aanvraag richt aan de Bestuursafdeling voor de Oorlogsslachtoffers.
Telkens doet de Minister, na een nieuw onderzoek, uitspraak bij een gemotiveerde beslissing die aan de belanghebbende betekend wordt. De aanvragen en de betekening voorzien in dit artikel gebeuren bij een ter post aangetekend schrijven.

§ 2. Tenzij zij steunt op de overlegging van nieuwe gegevens, moet de herziening, op straffe van uitsluiting, gevorderd worden binnen een termijn van tien jaar vanaf de dag waarop de beslissing waarvan de herziening wordt gevorderd, definitief is geworden.

Art. 9.

§ 1. Een aanvraag kan niet posthuum worden ingediend. § 2. Het overlijden van de verzoeker stuit het onderzoek van de aanvraag.

HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen

Art. 10.

De toekenning van de hoedanigheid van R.C.B.L.-er geeft aanleiding tot het opstellen van een kaart waarvan de Koning het model bepaalt. Deze kaart vermeldt de periode waarvoor de hoedanigheid van R.C.B.L.-er werd toegekend.

Art. 11.

Art. 12.

Het genot van dit besluit kan noch een huidige of toekomstige financiële weerslag hebben noch een recht inhouden op een ander statuut van nationale erkentelijkheid. De periode van afwezigheid in de haardstede, bepaald overeenkomstig artikel 5, mag ook niet in aanmerking worden genomen binnen het kader van een ander statuut van nationale erkentelijkheid.

Art. 13.

Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Art. 14.

Onze Minister van Justitie en Onze Staatssecretaris voor de Oorlogsslachtoffers zijn belast, ieder wat hem betreft, met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 12 april 1990.

BOUDEWIJN

Van Koningswege:
De Minister van Justitie,
M. WATHELET

De Staatssecretaris voor de Oorlogsslachtoffers,
P. MAINIL


Copyright © 2008 Belgische Federale Overheidsdiensten | Disclaimer