Banner warvictims.fgov.be

Wetteksten


MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN

N.74 - xxx

21 NOVEMBER 1974. - WET houdende statuut van weerstander tegen het nazisme in de ingelijfde gebieden.

HOOFDSTUK I. - Gerechtigden

Artikel 1.

§ 1.- Deze wet vindt toepassing op hen die op 10 mei 1940 en tot het ogenblik van toekenning van de in artikel 7 bedoelde kaart de Belgische nationaliteit bezitten en die op 31 augustus 1939 sedert minstens vijf jaar hun gewone verblijfplaats hadden in het gedeelte van het Belgische grondgebied dat wederrechtelijk door de Duitse overheid werd ingelijfd, zoals dat gedeelte wordt omschreven in artikel 1 van de wet van 27 juli 1953.

§ 2.- Zij vindt eveneens toepassing op hen die de bij § 1 gestelde voorwaarden inzake verblijfplaats vervullen en die, ofschoon zij vreemdelingen waren op 10 mei 1940, een statuut van nationale erkentelijkheid bezitten en de Belgische nationaliteit hebben verkregen of herkregen.

Art. 2.

- Als deelnemer aan het verzet tegen het nazisme in de ingelijfde gebieden worden erkend:

1. de personen die een van de hierna vermelde statuten van nationale erkentelijkheid bezitten:

- het statuut van politieke gevangenen en hun rechthebbenden;
- het statuut van de gewapende weerstand;
- het statuut van de inlichtings- en actieagenten;
- het statuut van de burgerlijke weerstanders en werkweigeraars;
- het statuut der krijgsgevangenen van 1940-1945;
- het statuut van de weerstanders door de sluikpers; - het statuut der gedeporteerden tot de verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945;

2. de personen die gedurende ten minste 6 maanden belangeloos hebben deelgenomen aan het verzet tegen de vijand door daden als: sabotage, verdeling van pamfletten, van sluikbladen, hulpverlening aan dienstweigeraars, aan deserteurs uit het vijandelijke leger en aan enige persoon die door de vijand om enige andere reden dan een gemeenrechtelijk misdrijf werd opgespoord, hulpverlening bij de organisatie of bij de uitvoering van werken van patriottische verbondenheid tegen de vijand;

3. de personen die zich door het uiten van hun politieke of filosofische overtuiging op belangeloze wijze tegen de vijand hebben verzet onder zodanige omstandigheden dat zij zich aan vergeldingsmaatregelen van zijnentwege blootstelden, en die ten gevolge daarvan zijn aangehouden door de Gestapo, de Feldgendarmerie of enige andere andere dienst welke de politiek of de oogmerken van de vijand begunstigde, en gevangengezet, verplicht bij de Wehrmacht ingelijfd of weggevoerd zijn;

4. de personen, die om vaderlandlievende redenen het bovenvermelde gebied tussen 10 mei 1940 en 1 januari 1943 vrijwillig hebben verlaten of die eruit gezet werden;

5. de personen die bij de Wehrmacht of de Arbeitsdienst verplicht ingelijfd werden en vóór 6 juni 1944 gedeserteerd hebben.

Art. 3.

Van deze wet worden uitgesloten :

1° zij die, na 31 oktober 1940, veroordeeld zijn wegens misdaad of wanbedrijf tegen de uitwendige of inwendige veiligheid van de Staat;

2° zij die tot een criminele of correctionele straf van ten minste twee jaar zijn veroordeeld, voor zover het misdrijf na 10 mei 1940 werd gepleegd;

3° zij die van hun politieke of burgerlijke rechten vervallen verklaard zijn ingevolge de bepalingen van de besluitwet van 19 september 1945 en van de wetten die ze hebben vervangen betreffende de epuratie inzake burgertrouw. Zij die deze rechten opnieuw verkregen hebben krachtens de wet van 30 juni 1961 blijven echter uitgesloten;

4° zij die in het buitenland veroordeeld zijn wegens collaboratie met de vijand;

5° zij die afkeuring verdienen wegens handelingen ten nadele van hun metgezellen of van de Belgische gemeenschap of wegens onregelmatige of niet verantwoorde opeisingen;

6° zij die vrijwillig voor de vijand hebben gewerkt als zij bij hun dienstneming de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt;

7° zij die lid zijn geweest van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei of die tot nazistische groeperingen of verenigingen zijn toegetreden en wier houding inzake civisme aanleiding heeft gegeven tot gegronde verwijten;

8° zij die, dank zij een voor de vijandelijke oorlogsvoering bijzinder nuttige activiteit, aan inlijving bij de Wehrmacht of de Arbeitsdienst hebben kunnen ontsnappen.

HOOFDSTUK II. - Aanvraag en procedure

Art. 4.

§ 1. Om het voordeel van deze wet te genieten, moeten de betrokkenen een aanvraag indienen. Deze moet bij een ter post aangetekende brief worden gericht aan de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur voor de oorlogsslachtoffers behoort, binnen een termijn van één jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet.

§ 2. De betrokkenen leveren door alle rechtsmiddelen het bewijs van hun verzet tegen het nazisme en van de duur ervan.

Art. 5.

§ 1. De aanvraag op grond van artikel 2, 1° van deze wet worden voorgelegd aan de bevoegde Minister, die bij een met redenen omklede beslissing uitspraak doet zonder de in artikel 6 bedoelde commissie te raadplegen.

Van de beslissing tot erkenning wordt aan de griffie van die Commissie en aan de betrokkene gelijktijdig kennis gegeven.

§ 2. De aanvragen op grond van artikel 2, 2° tot 5°, worden voorgelegd aan de commissie bedoeld in artikel 6; de commissie doet uitspraak bij een met redenen omklede beslissing;

§ 3. Van de beslissingen bedoeld in de §§ 1 en 2 wordt aan de aanvrager kennis gegeven bij een ter post aangetekende brief. Tegen de beslissingen kan bij de commissie van hoger beroep, bedoeld in§ 4 van artikel 6, beroep worden aangetekend binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de kennisgeving aan de aanvrager. Het beroep van de aanvrager wordt ingesteld bij een ter post aangetekende brief aan de bevoegde Minister. Een zelfde beroep kan binnen dezelfde termijn door de Minister worden ingesteld tegen de beslissingen bedoeld in § 2. Het beroep van de Minister wordt vastgesteld bij een door de Minister of zijn gemachtigde geparafeerde inschrijving in een register van hoger beroep, en aan de aanvrager wordt kennis ervan gegeven bij een ter post aangetekende brief. De in deze paragraaf bedoelde beroepen worden met redenen omkleed.

HOOFDSTUK III. - Erkenningscommissies

Art. 6.

§ 1. Een uit zes leden bestaande commissie van eerste aanleg wordt ingesteld, die zitting houdt te Eupen en samengesteld is als volgt

: - een voorzitter, die werkend, plaatsvervangend of ere-magistraat in eerste aanleg is;
- een secretaris-verslaggever behorend tot het Bestuur voor de oorlogsslachtoffers; - vier leden houder van een statuut van nationale erkentelijkheid op een dubbele lijst gezamenlijk voorgedragen door het contactcomité van de vaderlandslievende verenigingen en door het coördinatiecomité van de verenigingen van weggevoerden, dienstweigeraars en burgerlijke slachtoffers van de twee wereldoorlogen. De voorzitter en de leden van de commissie worden door de Koning benoemd op voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur voor de oorlogsslachtoffers behoort.

Plaatsvervangende leden kunnen onder dezelfde voorwaarden worden benoemd.

De voorzitter en de secretaris-verslaggever moeten een grondige kennis van de Duitse taal bezitten; de effectieve en plaatsvervangende leden moeten een voldoende kennis van de Duitse taal bezitten.

§ 2. De commissie kan alle bijkomende onderzoekingen verrichten; zij kan de aanvrager of getuigen oproepen. De personen die moeten gehoord worden, dienen vijftien volle dagen vóór de dagvaarding opgeroepen te worden. Bij niet-verschijning kan de commissie de behandeling voortzetten en uitspraak doen op de conclusies.

De zittingen zijn openbaar, behoudens zitting met gesloten deuren, voor elk geval afzonderlijk uit te spreken door de voorzitter als hij het nodig acht. De beslissingen worden steeds in openbare zitting uitgesproken.

De beslissingen worden genomen bij stemmenmeerderheid; bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter. De commissie kan niet geldig zitting houden wanneer twee van haar leden afwezig zijn.

De secretaris-verslaggever heeft geen medebeslissende stem.

De voorzitter leidt en regelt de werkzaamheden van de commissie.

De secretaris-verslaggever onderzoekt het dossier. Hij neemt al de maatregelen om het in staat van wijzen te brengen, hij doet de zaak inschrijven op de rol van de commissie en betekent aan de verzoeker de met redenen omklede besluiten vijftien volle dagen vóór de dag van de zitting.

Hij betekent de beslissing van de commissie aan de verzoeker bij een ter post aangetekende brief.

Per zitting hebben de voorzitter en de leden, met uitzondering van de secretaris-verslaggever, recht op presentiegeld overeenkomend met dat toegekend aan de voorzitter en leden van de commissies van de statuten van nationale erkentelijkheid.

De commissieleden die ambtenaar zijn, hebben slechts recht op presentiegeld als de commissievergaderingen buiten de normale diensturen gehouden worden.

Wanneer zij reizen ten behoeve van de commissie genieten de voorzitter, de leden en de secretaris-verslaggever de vergoedingen wegens reis- en verblijfkosten voor de directeurs van de onderscheiden ministeriële departementen vastgesteld bij de reglementering betreffende de vergoeding wegens reis- en verblijfkosten van de leden van het personeel der Ministeries.

§ 3. De beslissing vermeldt de duur van de in aanmerking genomen periode van verzet tegen het nazisme:

a) voor de in artikel 2, 1°, van deze wet bedoelde personen is de in aanmerking te nemen duur die welke is vastgesteld in de beslissing waarbij het voordeel van het statuut van nationale erkentelijkheid wordt toegekend;
b) voor de in artikel 2, 2° tot 5°, bedoelde personen moet de in aanmerking te nemen duur noodzakelijk liggen tussen 10 mei 1940 en 8 mei 1945.

Wanneer de activiteiten van de aanvrager tijdens een zelfde periode onder meer dan één van de in artikel 2 opgesomde categorieën vallen, wordt die periode slechts eenmaal aangerekend.

§ 4. Er wordt een commissie van hoger beroep opgericht, die te Eupen zal zetelen. Zij doet uitspraak over de krachtens §3 van artikel 5 ingediende beroepen. Zij wordt samengesteld als volgt:

- een voorzitter, die werkend, plaatsvervangend of ere-magistraat in hoger beroep is;
- een secretaris-verslaggever behorend tot het Bestuur voor de oorlogsslachtoffers;
- twee leden houder van een statuut van nationale erkentelijkheid op een dubbele lijst gezamenlijk voorgedragen door het contactcomité van de vaderlandslievende verenigingen en door het coördinatiecomité van de verenigingen van weggevoerden, werkweigeraars en burgerlijke slachtoffers van de twee wereldoorlogen.

De voorzitter en de leden van de commissie worden door de Koning benoemd op voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur voor de oorlogsslachtoffers behoort.

Plaatsvervangende leden kunnen onder dezelfde voorwaarden worden benoemd.

De voorzitter en de secretaris-verslaggever moeten een grondige kennis van de Duitse taal bezitten; de effectieve en plaatsvervangende leden moeten een voldoende kennis van de Duitse taal bezitten.

De commissie van hoger beroep bezit alle rechten van onderzoek en doet in laatste instantie uitspraak bij gemotiveerde beslissing.

De bepalingen van § 2 zijn op deze paragraaf toepasselijk.

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.

Art. 7.

Voor elke beslissing tot toekenning van de hoedanigheid van deelnemer aan het verzet tegen het nazisme in de ingelijfde gebieden wordt een attest opgemaakt in de vorm van een kaart, waarvan de Koning het model vaststelt.

Die kaart wordt uitgereikt aan de belanghebbende en ingeval deze is overleden, postuum overhandigd aan zijn overlevende echtgenoot of aan zijn nakomelingen, behalve aan degenen die zich in één der bij artikel 3 bedoelde gevallen van uitsluiting bevinden.

Art. 8.

Een medaille van deelnemer aan het verzet tegen het nazisme in de ingelijfde gebieden wordt ingesteld en zal toegekend worden aan de personen die aldus door deze wet worden erkend.

Art. 9.

Het voordeel van deze wet geeft in geen geval recht op het verkrijgen van één van de voornoemde statuten van nationale erkentelijkheid.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 21 november 1974.

BOUDEWIJN.

Van Koningswege:
De Eerste Minister,
L. TINDEMANS.

De Minister van Volksgezondheid en van het Gezin,
J. DE SAEGER.

De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. MICHEL

Gezien en met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
H. VANDERPOORTEN.


Copyright © 2008 Belgische Federale Overheidsdiensten | Disclaimer