Banner warvictims.fgov.be

Wetteksten


BELANGRIJKE OPMERKING OVER DE DRAAGWIJDTE VAN DEZE COORDINATIE

Deze coördinatie is hoofdzakelijk een werkinstrument bestemd om de raadpleging te vergemakkelijken van de officieuze volledige coördinatie die, enerzijds, alle opeenvolgende stadia weergeeft van de bepalingen van de wet van 15 maart 1954 met betrekking tot de daaraan gebrachte wijzigingen en die anderzijds, in bijlage alle beschikkingen vermeldt die eigen zijn aan de wetten tot wijziging.

Merk op dat het artikel 11 van de wet van 15 maart 1954, dat vastlegt op welke data de invaliditeitspensioenen voor titularissen en rechthebbenden een aanvang nemen, werd aangevuld en aangepast door het artikel 16 van de wet van 27 mei 1969.

Alleen het raadplegen immers van alle teksten die in de volledige coördinatie zijn vervat laat een juiste toepassing toe van de wet van 15 maart 1954, zoals gewijzigd bij latere wetten.

ONDERHAVIGE TEKST OMVAT DE COORDINATIE VAN VOLGENDE WETTEN:

15 MAART 1954 - Wet betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 2 april 1954).

24 APRIL 1957 - Wet strekkende tot het verwezenlijken van sommige aanpassingen inzake het herstel te verlenen aan de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1914-1918 en aan de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945. (Belgisch Staatsblad van 1 mei 1957).

6 JULI 1964 - Wet strekkende tot het aanbrengen van sommige aanpassingen aan de wetten betreffende de pensioenen, toelagen en vergoedingen van de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1914-1918 en van de oorlog 1940-1945 en van hun rechthebbenden (Belgisch Staatsblad van 24 juli 1964).

15 JUNI 1967 - Wet tot wijziging van de wetten betreffende het herstel te verlenen aan de burgerlijke slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945 en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 4 juli 1967).

27 MEI 1969 - Wet tot wijziging van de wetten op het herstel te verlenen aan de burgerlijke slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945 en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 10 juni 1969).

1 JULI 1969 - Wet tot vaststelling van het recht van de oorlogsinvaliden en oorlogswezen op geneeskundige verzorging op kosten van de Staat. (Belgisch Staatblad van 15 juli 1969).

6 FEBRUARI 1970 - Wet tot verhoging van de pensioenbedragen en tot wijziging van sommige bepalingen van de wetten op het herstel te verlenen aan de burgerlijke slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945 en hun rechthebbenden. (B. S. van 12 februari 1970).

23 DECEMBER 1970 - Wet tot instelling van nieuwe voordelen ten gunste van de burgerlijke slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945 en van hun rechthehbenden. (Belgisch Staatsblad van 13 januari 1971). - 18 JULI 1973 - Wet tot instelling van nieuwe voordelen ten gunste van de burgerlijke slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945 en van hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 6 september 1973).

21 NOVEMBER 1974 - Wet tot wijziging van de wetgeving betreffende de oorlogsschade aan private goederen en van de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 31 december 1974).

17 FEBRUARI 1975 - Wet tot wijziging van de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 18 april 1975).

28 MEI 1975 - Wet tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de pensioenen en rente~ voor burgerlijke oorlogsslachtoffers van beide oorlogen en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 3 juli 1975).

15 JULI 1976 - Wet tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de pensioenen en renten voor burgerlijke slachtoffers van beide oorlogen en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 14 augustus 1976)

30 DECEMBER 1977 - Wet tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de pensioenen en renten voor burgerlijke slachtoffers van beide oorlogen en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 17 februari 1978).

11 JULI 1979 - Wet tot wijziging van de vaste verhoudingen waarbij de bedragen van de pensioenen voor burgerlijke slachtoffers van beide oorlogen en hun rechthebbenden aan de bedragen van de vergoedingspensioenen worden gekoppeld. (Belg. Staatsblad van 31 juli 1979).

11 JULI 1979 - Wet tot wijziging van de wetten betreffende de pensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van beide oorlogen en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 31 juli 1979).

4 JUNI 1982 - Wet houdende nieuwe maatregelen ten voordele van de weerstanders tegen het nazisme in de ingelijfde gebieden, de werkweigeraars, de gedeporteerden, de burgerlijke slachtoffers van beide oorlogen en hun rechthebbenden. (B. Staatsbl. van 24 juni 1982).

30 JUNI 1983 - Wet tot aanvulling van de wetgeving betreffende de aan de oorlogsslachtoffers toegekende pensioenen en renten (Belgisch Staatsblad van 26 juli 1983).

3 MEI 1986 - Wet tot wijziging van de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad 27 oktober 1990).

3 AUGUSTUS 1988 - Wet tot wijziging en aanvulling van de wetgeving op de pensioenen en renten van de Burgerlijke slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945 en van hun rechthebbenden. (Belgisch Staatsblad van 19 oktober 1988).

7 JUNI 1989 - Wet houdende instelling van nieuwe maatregelen van de oorlogsslachtoffers. (Belgisch Staatsblad 29 juni 1989).

22 DECEMBER 1989 - Programmawet (art. 284 - 288). (Belgisch Staatsblad 30 december 1989).

18 MEI 1988 - Wet tot wijziging van de wetgeving betreffende de oorlogspensioenen en -renten. (Belgisch Staatsblad 11 augustus 1998). - 16 JUNI 1998 - Wet houdende wijziging van de procedure betreffende de oorlogspensioenen. (Belgisch Staatsblad 11 augustus 1998).

15 MAART 1954 - Wet betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden.

BOUDEWIJN, Koning der Belgen.
Aan allen, tegenwoordigen en toekomenden, HEIL.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:

HOOFDSTUK I. Gerechtigden en algemene voorwaarden van het herstel.

Artikel 1.

§ 1.

Geven aanleiding tot herstel krachtens deze wet de zekere schaden, welke noodzakelijk voortvloeien uit een rechtstreeks door een van de in artikel 2 beperkend opgesomde oor1ogshandelingen veroorzaakte aantasting van de lichamelijke gaafheid van de persoon. Indien evenwel de oorlogshandeling bestaat in een dergene bedoeld bij het eerste lid van artikel 4 van deze wet, in de verplichte inlijving bij de Wehrmacht, in de door de vijand of zijn agenten opgelegde verplichte tewerkstelling in België, of in de gedwongen ontruiming, volstaat het dat de aantasting van de lichamelijke gaafheid veroorzaakt werd gedurende deze oorlogshandelingen en door toedoen van deze.

Wet van 15 maart 1954

Het voorgaande lid is eveneens van toepassing wanneer de oorlorgshande1ing bestaat in de inlijving bij de Wehrmacht of bij Duitse paramilitaire formaties tijdens de oor1ogen 1914-1918 en 1940-1945, van de slachtoffers bedoeld in § 5 bis.

Wet van 23 december 1970

Geven geen aanleiding tot schadeloosstelling krachtens deze wet, de schaden geleden, onder de voorwaarden bepaald in het eerste artikel van de wetten op de vergoedingspensioenen samengeordend bij het besluit van de Regent van 5 oktober 1948, door de personen bedoeld in artikel 2 van dezelfde wetten.

§ 2.

In de zin van deze wet:

a) is het schadelijk feit de aantasting van de lichamelijke gaafheid van de persoon door de oorlogshandeling onder de in § 1 bepaalde voorwaarden;

b) zijn de schaden, de lichaamsgebreken, de verergering van 1ichaamsgebreken, welke vreemd zijn aan het schadelijk feit en het overlijden, elk noodzakelijk door het schadelijk feit veroorzaakt.

§ 3.

De lichaamsgebreken en hun verergeringen geven aanleiding tot de pensioenen en vergoedingen bepaald in hoofdstuk II van deze wet, terwijl het overlijden aanleiding geeft tot de pensioenen toegekend aan de rechthebbenden door hoofdstuk III.

§ 4.

De wet is enkel op de Belgen van toepassing.

Deze hoedanigheid dient te bestaan:

a) in hoofde van het slachtoffer op het ogenblik van de beslissing tot toekenning van het pensioen of van het overlijden indien het slachtoffer vóór de erkenning van zijn rechten overleden is ; het moet nochtans die hoedanigheid bezitten op het ogenblik van het schade1ijk feit of een naturalisatieaanvraag hebben ingediend vóór 10 mei 1940 of aan de volgende vereisten voldoen: geen volle tweeëntwintig jaar zijn op 10 mei 1940, Belg geworden zijn vóór 1 januari 1960 en zonder onderbreking zijn gewone verblijfplaats in België hebben gehad sedert 1 januari 1931 of sedert zijn geboorte, wanneer het slachtoffer op die datum nog niet geboren was;

b) bovendien, in hoofde van de rechthebbenden op het ogenblik van het overlijden van het slachtoffer en op het ogenblik van de beslissing tot toekenning van het pensioen.

Wet van 17 februari 1975

§ 5.

In afwijking van § 4, worden toegelaten tot het genot van deze wet, welke hun nationaliteit en die van het s1achtoffer ook is, de wezen van buitenlanders of vaderland1ozen, aan wie de hoedanigheid van rechthebbende van een gerechtigde op het statuut der politieke gevangenen werd toegekend. Zij kunnen evenwel slechts aanspraak maken op pensioen voor de tijd dat zij werkelijk in België verblijven.

De beslissing waarbij de wezen als rechthebbenden van gerechtigden van het statuut der politieke gevangenen worden erkend heeft bewijskracht voor de burger1ijke stand van de wezen en van hun rechtsvoorgangers.

Wet van 24 april 1957

§ 5bis.

Eveneens in afwijking van § 4 worden toegelaten tot het genot van deze wet de slachtoffers of hun rechthebbenden, Duitzs onderhorigen of gewezen onderhorigen, die krachtens artikel 2 van de wet van 28 april 1958 houdende goedkeuring van het verdrag tussen het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland, met betrekking tot de correctie van de Belgisch-Duitse grens en tot de regeling van diverse vraagstukken betreffende beide landen, van het slotprotocol, van de bijlagen 1,2,3 en 4, en van de bijgevoegde brieven, ondertekend op 24 september 1956 te Brussel, de Belgische nationaliteit hebben verkregen door individuele optie of door de optie van de ouder onder wiens bewaring zij stonden, wanneer zij niet ontvoogde minderjarige kinderen waren.

De slachtoffers en de rechthebbenden bedoeld in het vorenstaande lid moeten bovendien de Belgische nationaliteit zonder onderbreking hebben bezeten vanaf voornoemde optie tot het ogenblik waarop het pensioen is toegekend. Wanneer de rechthebbenden van de slachtoffers bedoeld in deze paragraaf, eerste lid, niet voldeden aan de vereisten gesteld bij artikel 2 van voornoemde wet van 28 april 1958 om door individuele optie of uit hoofde van hun ouder de Belgische nationaliteit te verkrijgen, moeten zij deze bezitten op het ogenblik van het overlijden van het slachtoffer en op het ogenblik van de beslissing tot toekenning van het pensioen.

Wet van 23 december 1970

§ 6.- De verzoeker moet met alle rechtsmiddelen bewijzen dat hij de bij dit artikel gestelde voorwaarden vervult.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 2.

Als oorlogshandelingen worden voor de toepassing van deze wet alleen aangemerkt:

1°- de maatregelen of handelingen, tussen 27 augustus 1939 en 15 november 1945 door de vijandelijke mogendheden, hun agenten of onderdanen genomen of verricht ter gelegenheid van de oorlog;

2°- de maatregelen of handelingen, tussen 27 augustus 1939 en 8 mei 1945 door de Belgische Staat, de geallieerde landen of hun agenten genomen of verricht ter gelegenheid van de verdediging of de bevrijding van België met uitsluiting van de veiligheidsmaatregelen door de Belgische Staat genomen ter uitvoering van artikel 2 van de besluitwet van 12 oktober 1918 betreffende het verblijf in België van buitenlanders en van personen van vreemde afkomst.

(Wet van 15 maart 1954 + wet van 24 april 1957) ( 1 )

3°- de maatregelen of handelingen door de staatsburgers met vaderlandlievende bedoeling genomen of verricht ten einde zich aan de opeisingsbevelen van de vijand te onttrekken of de gevolgen daarvan te verminderen ;

4°- de misdaden en wanbedrijven, tussen 10 mei 1940 en 15 juli 1945 tegen personen gepleegd:
a) ingevolge de ontreddering der openbare besturen voortvloeiend uit de staat van oorlog;
b) met openlijk machtsvertoon of met geweld, door al dan niet gewapende samenscholingen of bijeenkomsten;

5°- de daden bestemd om de met België in oorlog zijnde Staten in hun aanvals- of weermiddelen of in hun productie te treffen, alsmede de daden bestemd om sommige personen wegens hun handelingen in strijd met de belangen van de Belgische Staat te treffen;

6° - de ontploffing, tijdens de oorlog 1940-1945 of nadien, van munitie en oorlogstuig, welke niet in het vermogen van particulieren gekomen zijn of niet in de inventaris van het Belgisch leger of een der vreemde oorlogsvoerende 1egers opgenomen of opnieuw opgenomen werden.

(Wet van 15 maart 1954 + Wet van 6.juli 1964) ( 2 )

7°- wanneer het gaat om slachtoffers bedoeld in artikel l, § 5 bis, eerste lid, de tijdens de oorlog 1914-1918 genomen maatregelen of verrichte handelingen bedoeld in 1° en 2°, alsmede de ontploffing tijdens dezelfde oorlog of nadien van munitie en oorlogstuig bedoeld in 6°.

(Wet van 23 december 1970).

Artikel 3.

§ 1.

Zelfs wanneer niet voldaan is aan de bij het eerste artikel, § 1, eerste en tweede lid, gestelde voorwaarden met betrekking tot het oorzakelijk verband, hetwelk dient te bestaan tussen de oorlogshandeling en de aantasting van de lichamelijkc gaafheid van de personen, geven niettemin aanleiding tot herstel:

1° - de schade welke voortvloeit uit de aantasting van de lichamelijke gaafheid, veroorzaakt door de bij artikel 2, 6° hepaalde oorlogshandeling, indien bij het feit dat de ontploffing veroorzaakt heeft geen bedrog of geen grove schuld in hoofde van het slachtoffer aanwezig is ;

2°- de schade welke voortvloeit uit de aantasting van ne lichamelijke gaafheid, indien deze aantasting tegelijkertijd veroorzaakt werd door de schuld van het slachtoffer en door een handeling van de vijand, tegen het slachtoffer zelf gericht en indien die anntasting de dood van het slachtoffer of één of meer lichaamsgebreken tot gevolg heeft gehad, waarvan het (de) invaliditeitspercentage(s), berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, § 1, en eventueel samengeteld en op het onmiddellijke hogere veelvoud van 5 gebracht, ten minste 30 % beloopt (belopen) ; zulks geldt echter niet indien de daad van het slachtoffer een misdrijf uitmaakt, uitgesloten van de amnestie bepaald bij de besluitwet van 20 september 1945 met uitzondering evenwel van de misdrijven waarvan sprake in de littera's e) tot en met g) van artikel 3 en in artikel 11 van dezelfde besluitwet.

(Wet van 15 maart 1954 + wet van 24 april 1957). ( 3 )

§ 2.

Onverminderd de rechten, verworven op grond van rechterlijke beslissingen in kracht van gewijsde gegaan of op grond van overeenkomsten tussen partijen tot stand gekomen, zijn de artikelen 1382 tot 1386 bis van het Burgerlijk Wetboek, in zover zij de aansprakelijkheid van de Belgische Staat of van andere openbare besturen in het gedrang brengen, niet van toepassing op de oorlogshandelingen, bepaald in deze wet.

(Wet van 15 maart 1954)

Artikel 4.

Wanneer de aangevoerde oorlogshandeling bestaat in het te werk stellen in Duitsland of in een door Duitsland bezet land behalve België, of in het zich vrijwillig onttrekken aan de arbeidsverplichtingen of verplichtingen van militaire aard door de vijand opgelegd, wordt slechts uitspraak gedaan over de aanvragen om pensioen wanneer een uitvoerbare beslissing is uitgesproken door de overheden die bevoegd zijn om kennis te nemen van de aanvragen om erkenning van de hoedanigheid van gedeporteerde voor de verplichte arbeid van de oorlog 1940-1945 of van de hoedanigheid van werkweigeraar.

De Minister en de Commissies, krachtens deze wet gemachtigd om uitspraak te doen, dienen zich te houden aan de uitvoerbare beslissing van de in het vorig lid bedoelde overheden, wat betreft de werkelijkheid van de door dezen beoordeelde oorlogshandeling.

Elke pensioenaanvraag op grond van een oorlogshandeling bedoeld in het eerste lid kan worden beschouwd als een regelmatige aanvraag om in aanmerking te komen voor het statuut der gedeporteerden voor do verplichte arbeid van de oorlog 1940-1945 of voor het statuut der burgerlijke weerstanders en der werkweigeraars.

Wet van 15 maart 1954

"Een zodanige pensioenaanvraag kan eveneens, in voorkomend geval, worden beschouwd als een regelmatige aanvraag om herziening in de zin van artikel 15 van de wet van 7 juli 1953 houdende inrichting van het statuut der gedeporteerden tot de verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945 en intrekking van de besluitwet van 24 december 1946 of als regelmatige aanvraag om herziening in de zin van artikel 6 van de wet van 2 april 1958 tot wijziging, wat betreft de werkweigeraars, van de besluitwet van 24 december 1946 waarbij het statuut van de burgerlijke weerstanders en werkweigeraars wordt ingericht.

Een zodanige pensioenaanvraag kan ook nog, in voorkomend geval, worden beschouwd als een regelmatige aanvraag om herziening van een uitvoerbare beslissing van onontvankelijkheid genomen in het raam van de toepassing van de artikelen 14 en 15 van de voornoemde wat van 7 juli 1953 of van de artikelen 5 en 6 van de voornoemde wet van 2 april 1958."

Wet van 11 juli 1979 b ( 5bis )

Artikel 5.

§ 1.

De bij deze wet tocgekende pensioenen en uitkeringen vormen ten gunste van het slachtoffer een forfaitaire schadeloosstelling ; elke vergoeding uitgekeerd wegens hetzelfde schadelijk feit wordt daarvan afgetrokken, met uitzondering van de vergoeding die het gevolg is van een individuele verzekering.

Wet van 6 juli 1964

Betreft het vorgoedingen als rente uitbetaald, dan worden alleen de sommen, vervallen na de ingenottreding van het pensioen, afgetrokken. Betreft het een in kapitaal uit te betalen vergooding, dan wordt zij, volgens de tabel in gebruik bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, fictief omgezet in een rente, ingaande op de datum van de schade, en wordt de in het tweede lid gestelde regel toegepast.

Ten belope van de in uitvoering van deze wet betaalde sommen treedt de Staat in de rechten en verhaalmiddelen welke de slachtoffers of hun rechthebbenden kunnen laten gelden ingevolge de geleden schade.

§ 2.

In geen geval kan de overlevende echtgenoot als zodanig pensioenen, die krachtens deze wet verschuldigd zijn, samenvoegen ; evenmin kan hij een krachtens deze wet verschuldigd pensioen samenvoegen met een pensioen, verschuldigd krachtens de samengeordende wetten op het herstel te verlenen aan de burgerlijke oorlogsslachtoffers 1914-1918 of krachtens de samengeordende wetten op de militaire pensioenen, of krachtens de samengeordende wetten op de vergoedinsspensioenen. De overlevende echtgenoot kan op zijn verzoek de gunstigste regeling genieten.

Deze aanvraag heeft uitwerking de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de indiening ervan.

Wet van 15 maart 1954

HOOFDSTUK II.- Invaliditeitspensioenen.

Artikel 6.

§ 1.

Indien de schade een invaliditeit van 10 % of meer tot gevo1g heeft gehad, kan het slachtoffer aanspraak maken op een jaarlijks pensioen berekend op een basisbedrag van Fr. 1.531,40.

Wet van 6 juli 1964 ( 4 )

Op genoemd basisbedrag wordt een vermenigvuldiger toegepast, die volgens onderstaande tabel vastgesteld is in verhouding tot het percentage der invaliditeit. Indien dit percentage, ofschoon hoger dan 10 %, geen veelvoud van 5 is, wordt het op het onmiddel1ijk veelvoud van 5 afgerond.

Invaliditeitspensioen: vermenigvuldigingsfaktor
Percentage Multiplicateur
10 % 1,75
15 % 2,50
20 % 3,50
25 % 4,50
30 % 6,--
35 % 7,--
40 % 8,--
45 % 9,--
50 % 10,--
55 % 11,--
60 % 13,25
65 % 14,25
70 % 16,--
75 % 17,25
80 % 19,25
85 % 20,50
90 % 22,50
95 % 23,75
100 % 26,--

Wet van 15 maart 1954

De met toepassing van het tweede lid verkregen bedragen worden, na weglating van de frankgedeelten en afronding op het onmiddellijk lagere veelvoud van vier, bij koninklijk besluit vastgesteld.

Wet van 15 juni 1967

§ 2.

Indien het slachtoffer aanspraak kan maken op één van de vergoedingen bedoeld in artikel 10, § 2 en § 3, of indien het recht heeft op een pensioen berekend op een invaliditeitspercentage van 100 pct. en aanspraak kan maken op de vergoeding bedoeld in artikel 10 § 1, wordt in afwijking van § 1 het jaarlijks pensioen vastgesteld overeenkomstig de volgende tabel:

Wet van 15 juni 1967

Pensioenbedrag (Frank)
Invaliditeitspercentage Periode van 1.1.66 tot 31.12.1966 Periode van 1.1.67 tot 31.12.1967 Vanaf 1.1.1968
 10  3.356  3.496  3.632
 15  4.796  4.996  5.192
 20  6.716  6.992  7.272
 25  8.632  8.992  9.344
 30 11.512 11.992 12.464
 35 13.436 13.988 14.544
 40 15.352 15.988 16.624
 45 17.272 17.984 18.696
 50 19.196 19.984 20.776
 55 21.112 21.980 22.856
 60 25.432 26.480 27.528
 65 27.352 28.480 29.608
 70 30.708 31.976 33.248
 75 33.108 34.476 35.840
 80 36.952 38.476 40.000
 85 39.348 40.976 42.600
 90 43.188 44.972 46.756
 95 45.588 47.472 49.352
100 49.908 51.968 54.028

Wet van 27 mei 1969

§ 3.

Indien het schadelijk feit veroorzaakt werd door het zich vrijwillig onttrekken aan de militaire verplichtingen of aan de arbeidsverplichtingen door de vijand of zijn hand1angers opgelegd, en indien wegens één van die oor1ogshandelingen de hoedanigheid van werkweigeraar aan het slachtoffer werd toegekend door de overheden bedoeld in artikel 4, wordt in afwijking van § 1 het jaarlijks pensioen vastgesteld overeenkomstig de volgende tabel:

Pensioenbedrag (Frank)
Invaliditeitspercentage Periode van 1.1.66 tot 31.12.1966 Periode van 1.1.67 tot 31.12.1967 Vanaf 1.1.1968
 10   3.772   3.772   3.772
 15   5.668   5.668   5.668
 20   7.552   7.552   7.552
 25   9.452   9.452   9.452
 30 11.344 11.468 11.924
 35 13.236 13.380 13.912
 40 15.124 15.292 15.900
 45 17.016 17.204 17.888
 50 18.912 19.116 19.876
 55 20.808 21.028 21.864
 60 27.060 27.060 27.060
 65 29.316 29.316 29.316
 70 31.580 31.580 31.804
 75 33.828 33.828 34.288
 80 36.084 36.804 38.264
 85 38.344 39.192 40.748
 90 41.312 43.016 44.724
 95 43.608 45.408 47.208
100 47.736 49.708 51.680

Wet van 15.6.1967

Hetzelfde pensioen is van toepassing wanneer het slachtoffer dat zich had onttrokkcn aan de in het voorgaand lid omschreven arbeidsverplichtingen door de vijand of zijn agenten werd ontdekt en door hen gedwongen werd tot verplichte arbeid:

1° - indien het schadelijk feit door deze wegvoering werd veroorzaakt en
2° - indien wegens deze onttrekking aan de arbeidsverplichtingen en wegvoering welke er uit voortvloeide de hoedanigheid van werkweigeraar en de hoedanigheid van gedeporteerde voor de verplichte tewerkstelling hem werden toegekend door de in het eerste lid van artikel 4 bedoelde overheden.

Wet van 15 maart 1954 en wet van 15 juni 1967) ( 5 )

Hetzelfde pensioen is ook van toepassing wanneer het slachtoffer dat zich had onttrokken aan do verplichtingen van militaire aard in het eerste lid omschreven, door de vijand of zijn agenten werd ontdekt en met geweld tot genoemde verplichtingen van militaire aard werd gedwongen :

1°- indien het schadelijk feit werd geleden tijdens die gedwongen militaire dienst, en
2°- indien de hoedanigheid van werkweigeraar hem werd toegekend door de overheden bedoeld in artikel 4, eerste lid.

Wet van 6 juli 1964 + wet van 15 juni 1967 ( 5 )

Tenslotte wordt hetzelfde pensioen toegekend aan de mannen van 16 tot 35 jaar die, in mei 1940, gehoor hebben gegeven aan de oproep van de Regering om zich bij het leger te voegen en niet gerechtigd zijn op de wetten op de vergoedingspensioenen gecoördineerd op 5 oktober 1948.

Wet van 23 december 1970

Hetzelfde pensioen geldt ook voor de zeelieden van de koopvaardij die actief aan de oorlog 1940-1945 hebben deelgenomen door de logistiek van de geallieerde legers te verzekeren en op wie de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen van 5 oktober 1948 niet toe passelijk zijn.

Wet van 7 juni 1989

Wanneer de schade bestaat uit meerdere lichaamsgebreken waarvan één gans of gedeeltelijk het gevolg is van een schadelijk feit veroorzaakt door één der oorlogshandelingen bedoeld in deze paragraaf, wordt voor de berekening van het pensioen de gehele schade geacht het gevolg te zijn van dat schadelijk feit.

Wet van 15 juni 1967 en wet van 23 december 1970

§ 3 bis.

Indien het slachtoffer tegelijk de voorwaarden vervult om op het pensioen bepaald in § 2 en op dat bepaald in § 3 aanspraak te kunnen maken, wordt in afwijking van de §§ 1 tot 3 het jaarlijks pensioen vastgesteld, overeenkomstig de volgende tabel:

Wet van 15 juni 1967

Pensioenbedrag (Frank)
Invaliditeitspercentage Periode van 1.1.66 tot 31.12.1966 Periode van 1.1.67 tot 31.12.1967 Vanaf 1.1.1968
 10   4.336   4.336   4.336
 15   6.516   6.516   6.516
 20   8.684   8.684   8.684
 25 10.868 10.868 10.868
 30 13.044 13.188 13.712
 35 15.220 15.384 15.996
 40 17.392 17.584 18.284
 45 19.568 19.784 20.568
 50 21.748 21.980 22.856
 55 23.928 24.180 25.140
 60 31.116 31.116 31.116
 65 33.712 33.712 33.712
 70 36.316 36.316 36.572
 75 38.900 38.900 39.428
 80 43.816 43.816 44.000
 85 46.552 46.552 46.860
 90 49.292 49.468 51.428
 95 52.032 52.218 54.284
100 54.768 57.164 59.428

Wet van 27 mei 1969

§ 4.

De kinderen van invaliden wier vergoedbare invaliditeit op grond van deze wet 80 % bereikt, ontvangen vergoedingen gelijk aan de gezinsprestaties verschuldigd aan de kinderen van de werkonbekwame arbeiders bedoeld in artikel 56, § 2 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

Wet van 3 mei 1986

Die vergoedingen zijn verschuldigd tot de leeftijd van 18 jaar . Voor wezen (lees kinderen) die recht geven op kinderbijslag, wordt dit voordeel behouden boven de leeftijd van 18 jaar en ten laatste tot de leeftijd van 25 jaar.

Wet van 18 mei 1998

uitwerking op 1 september 1998. Van de vergoedingen bij deze paragraaf bepaald, komen in mindering:

1°- de gezinsprestaties verschuldigd bij toepassing van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders ;

2°- de gezinsprestaties bepaald bij het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel;

3°- de gezinssprestaties bepaald bij het organiek koninklijk besluit van 22 december 1938 genomen in uitvoering van de wet van 10 juni 1937 tot uitbreiding van de kindertoeslagen tot de werkgevers en tot de zelfstandigen ;

4°- de gezinsvergoedingen waarvan de samenvoeging met de prestaties verleend op grond van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders verboden is in toepassing van artikel 60 van die wetten.

De vergoedingen worden ten laste van de Staat uitbetaald door bemiddeling van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers. De vereiste kredieten om de Rijksdienst schadeloos te stellen worden opgenomen van de kredieten daartoe uitgetrokken op de begroting der pensioenen.

Door het Dotatiefonds, opgericht bij het koninklijk bcsluit nr.16 van 22 juli 1939, worden provisionele voorschotten ter beschikking gesteld van de genoemde Dienst, welke van dezelfde kredieten dienen opgenomen te worden.

Wet van 23 december 1970

Artikel 6bis.

§ 1.

Overeenkomstig de hiernavolgende tabellen worden, voor een gelijkwaardig invaliditeitspercentage, de enige bedragen van de pensioenen voor invaliden bedoeld in artikel 6, vastgesteld in evenredige verhouding tot de enige bedragen van de pensioenen toegekend aan invaliden op wie de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen van 5 oktober 1948 toepasselijk zijn, ter uitvoering van artikel 11 van dezelfde gecoördineerde wetten.

Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met artikel 1, § 2, tweede lid van de wet van 16 maart 1954 tot wijziging van dezelfde gecoördineerde wetten.

a) Wat betreft de invaliden bedoeld in artikel 6, § 1:
Invaliditeitspercentage vanaf 1 april 1982
10 à 100 80

 

b) Wat betreft de invaliden bedoeld in artikel 6, § 2 :
Invaliditeitspercentage vanaf 1 april 1982
10 à 100 90

 

c) Wat betreft de invaliden bedoeld in artikel 6, § 3 :
Invaliditeitspercentage vanaf 1 april 1982
10 à 100 95

 

d) Wat betreft de invaliden bedoeld in artikel 6, § 3bis :
Invaliditeitspercentage vanaf 1 januari 1982
10 à 100 100

 

e) Wat betreft de invaliden bedoeld in artikel 6, § 1 die gedeporteerd werden voor de verplichte tewerkstelling:
Invaliditeitspercentage vanaf 1 januari 1990
10 à 100 90

1° wanneer het schadelijk feit door die deportatie werd veroorzaakt;

2° en wanneer de hoedanigheid van gedeporteerde voor de verplichte tewerkstelling hem, uit hoofde van die deportatie, is toegekend door de overheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 4 :

f) Wat betreft de invaliden bedoeld in artikel 6 § 2, die gedeporteerd werden voor de verplichte tewerkstelling in de zin als bedoeld in rubriek e) van dit artikel:
Invaliditeitspercentage vanaf 1 januari 1990
10 à 100 98

 

Onverminderd de toepassing van het laatste lid van artikel 6 § 3 van deze wet, wordt wanneer de schade bestaat uit meerdere lichaamsgebreken waarvan één gans of gedeeltelijk het gevolg is van het schadelijk feit bedoeld in de rubrieken e) en f) van dit artikel, voor de berekening van het pensioen, de gehele schade geacht het gevolg te zijn van dit schadelijk feit. (*)

§2.

Wanneer de gerechtigden invaliden zijn die onder toepassing vallen van artikel 6bis §1, b), d) en f) worden de enige bedragen van de invaliditeitspensioenen tussen 10 en 95 pct. aldus berekend en afgerond op het onmiddellijk lagere veelvoud van 4, evenwel rekenkundig verhoogd met een pensioenbedrag beantwoordend aan een bijkomende invaliditeit van:

- 5 pct. wanneer de invalide gerechtigd is op een pensioen vastgesteld op basis van een invaliditeit van 95 pct.
- 10 pct. wanneer de vergoede invaliditeit gelijk is aan of lager dan 90 pct.

De Minister kent ambtshalve het hierboven voorzien forfaitair bijkomend invaliditeitspercentage toe.

Wet van 7 juni 1989

Artikel 6 ter.

Wanneer de schade een invaliditeit die vergoed wordt naar rata van 100 pct. tot gevolg heeft gehad, kan het slachtoffer aanspraak maken op een aanvullende jaarlijkse vergoeding. Overeenkomstig de hierboven in artikel 6bis opgenomen tabellen worden de enige bedragen van die vergoeding vastgesteld in verhouding tot het enige bedrag van de gelijkaardige uitkering toegekend aan de houders van een pensioen berekend op de grondslag van een invaliditeit van 100 pct. toegekend aan de invaliden, gerechtigden op de wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948, ter uitvoering van artikel 10 §2 van dezelfde gecoördineerde wetten.

Er wordt geen rekening gehouden met artikel 1 §2, tweede lid van de wet van 16 maart 1954 tot wijziging van dezelfde gecoördineerde wetten voor de toepassing van dit artikel.

Wet van 4 juni 1982

Artikel 7.

§ 1.

De lichaamsgebreken die aanleiding geven tot vergoeding zijn de ze waarvan de Officiële Belgische Schaal tot vaststelling van de graad van invaliditeit de lijst opgeeft, of deze welke er mede kunnen worden gelijkgesteld; de invaliditeiten welke er uit voortspruiten worden afzonderlijk geschat overeenkomstig de opgaven vervat in dezelfde schaal, mits eventueel de schatting bepaald voor de totaliteit der vastgestelde stoornissen te verminderen met de bedragen der invaliditeit, welke voor hetzelfde lid, dezelfde functie of hetzelfde physiologisch stelsel, te wijten is aan de gevolgen van vreemde factoren die dagtekenen van vóór of na het aangevoerd feit, of daarmee gepaard gingen.

§ 2.

In geval van meervoudige lichaamsgebreken wordt het invaliditeitspercentage integraal toegekend voor het zwaarste lichaamsgebrek. De overige percentages worden vervolgens gerangschikt in de afnemende volgorde van hun belang en berekend in verhouding tot de overblijvende validiteit.

Wet van 15 maart 1954

Wanneer het zwaarste gebrek minstens 20 % bedraagt, worden de percentages van de volgende in de afnemende volgorde van hun belangrijkheid respectievelijk verhoogd met 5,10,15,20,25 enzovoort alvorens hun waarde voor het berekenen van het overblijvende invaliditeitspercentage wordt vastgesteld.

Wet van 23 december 1970

Indien de som van de invaliditeitsbedragen, berekend overeenkomstig het voorgaand lid, 10 % bereikt, kan het slachtoffer aanspraak maken op het pensioen bepaald bij artikel 6 ; indien deze som 10 % overschrijdt maar geen veelvoud is van 5, wordt zij op het onmiddellijk hogere veelvoud van 5 afgerond.

Wet van 15 maart 1954

Indien de som van de invaliditeitspercentages, berekend overeenkomstig het eerste lid, geen 10 % bedraagt, doch na gewone samentelling dat percentage bereikt, wordt, niettegenstaande het bepaalde in artikel 6, § 1, eerste lid, het pensioen verleend. (Wet van 6 juli 1964). Wanneer het verschillende lichaamsgebreken geldt, doch met betrekking op dezelfde functie of synergische functies, kunnen deze lichaamsgebreken evenwel geschat worden bij rationele raming door zich te verlaten op de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 augustus 1938 dat verordendende kracht geeft aan de regels gevolgd in zake militaire invaliditeitspensioenen voor de schatting der meervoudige invaliditeiten bij rationele raming.

Wet van 15 maart 1954

§ 3.

In het geval van meervoudige lichaamsgebreken waarvan één of meer aanleiding geven tot invaliditeitspensioen krachtens deze wet en waarvan één of meer andere aanleiding geven tot een ander invaliditeitspensioen ten bezware van de Staat, wordt het totale invaliditeitsbedrag berekend overeenkomstig de regels voorgeschreven bij § 2 van dit artikel.

Indien één van de bij het eerste lid van deze paragraaf bedoelde lichaamsgebreken wegens opeenvolgende schade aanleiding geeft tot vergoeding krachtens deze wet en tot vergoeding krachtens een andere wetgeving, wordt niet overgegaan, wat dit lichaamsgebrek betreft, tot de verminderingen welke bij § 1 van dit artikel bepaald worden wat betreft de invaliditeitspercentages welke reeds door de Staat vergoed worden.

Het invaliditeitspercentage dat in aanmerking wordt genomen voor het vaststellen van het pensioen wordt bekomen door van het totaal invaliditeitspercentage het invaliditeitspercentage van het ander of van de andere pensioenen, die onaantastbaar blijven, af te trekken.

Indien het in aanmerking te nemen invaliditeitspercentage voor het vaststellen van het pensioen kleiner is dan 10 % doch ten minste 1% bereikt, is niettegenstaande § 1 van artikel 6, het pensioen verschuldigd; in dit geval wordt het invaliditeitspercentage op 5 % gebracht indien het kleiner is dan dit percentage en op 10 % indien het groter is. Voor de berekening van het pensioenbedrag is de grondslag gelijk aan de helft of aan het ganse bedrag van hetgeen bepaald wordt in artikel 6, § 1, eerste lid.

Elke wijziging in de bedragen van het een of andere invaliditeitspensioen ten laste van de Staat, brengt ambtshalve herziening mede, overeenkomstig de regels van deze paragraaf, van het invaliditeitspercentage in aanmerking te nemen voor de vaststelling van het pensioen verleend krachtens deze wet.

§ 4.

In de gevallen, bepaald in § 3 van dit artikel, wordt het bedrag van het pensioen der burgerlijke slachtoffers als volgt vastgesteld:

Eerst wordt een fictief bedrag berekend, gelijk aan dat van het pensioen dat zou toegekend worden voor het totaal invaliditeitsbedrag; vervolgens wordt het werkelijk bedrag van het pensioen vastgesteld door dit fictief bedrag te vermenigvuldigen met het inva1iditeitspercentage, dat krachtens het derde lid van § 3 in aanmerking dient genomen voor de vaststelling van het pensioen en door het aldus bekomen product te delen door het totaal invaliditeitspercentage. (Wet van 15 maart 1954).

§ 5.

In geva1 het recht op het bij deze wet bepaalde pensioen wordt samengevoegd met een vergoedingspensioen, is artikel 9, § 5 van de samen geordende wetten op de vergoedingspensioenen van toepassing.

Wet van 24 april 1957 - artikel 6, 5°

Artikel 8.

§ 1.

De invaliditeitspensioenen worden alleen toegejend zo de ongeschiktheid ten minste 30 dagen duurt. Zij worden tijdelijk toegekend behalve in geval van blindheid, enucleatie, afzetting van een lid, een vinger of een teen.

Het percentage invaliditeit wordt vijf jaar na de beslissing tot toekenning van het pensioen herzien door de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst afhangend van het Ministerie van Volksgezondheid. Deze termijn gaat in de dag waarop de beslissing uitvoerbaar wordt.

"Indien evenwel de invalide op de datum waarop de beslissing tot toekenning van het pensioen genomen is, de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, zal de herziening niet plaats hebben en wordt het pensioen definitief toegekend".

Wet van 4 juni 1982

§ 2.

Wanneer het pensioen wordt toegekend voor verschillende verminkingen, verlammingen of lichaamsgebreken, waarover bij verschillende beslissingen uitspraak werd gedaan, heeft de herziening voor elk van die beslissingen afzonderlijk plaats binnen de termijnen bij dit artikel bepaald.

§ 3.

Het geneeskundig onderzoek waaraan de verzoeker bij de herziening van het tijdelijk pensioen wordt onderworpen, wordt gedaan door geneesheren die hem niet vroeger hebben onderzocht.

Wet van 15 maart 1954 + wet van 24 april 1957

Artikel 9.

§ 1.

Wanneer iemand een pensioen van burgerlijk slachtoffer van de oorlog 1940-1945 genoot op grond van de wetsbepalingen die vóór deze wet van kracht waren, dit pensioen nog steeds liep op 1 januari 1954 en hem een tijdelijk pensioen toegekend werd krachtens artikel 35 § 1 van deze wet, zal de herziening van de graad van invaliditeit, in afwijking van artikel 8, § 1, plaats hebben op een door de Koning vast te stellen datum.

§ 2.

Onverminderd het laatste lid van artikel 11 van deze wet, vervallen het tijdelijk pensioen, zijn verhogingen en aanvullende vergoedingen de dag vóór die van de herziening van het invaliditeitsbedrag, overeenkomstig de artikelen 8 en 9, § 1 van deze wet. Het pensioen, zijn verhogingen en aanvullende vergoedingen, eventueel toegekend krachtens artikel 20, § 3 van deze wet, gaan in op de dag bepaald voor de herziening van het invaliditeitsbedrag van het tijdelijk pensioen.

§ 3.

Voor zover de herziening bepaald bij de artikelen 8 en 9 van deze wet niet wordt vertraagd door toedoen van de belanghebbenden, worden het tijdelijk pensioen, zijn verhogingen en aanvullende vergoedingen als voorschotten verder uitbetaald tot de dag die de beslissing gewezen krachtens artikel 20, § 3 van deze wet voorafgaat.

De aldus betaalde voorschotten komen eventueel in mindering van do sommen verschuldigd in toepassing van de beslissing gewezen krachtens genoemd artikel 20, § 3.

§ 4.

Bedoelde voorschotten zijn slechts terugvorderbaar in geval van bedrog vanwege de verzoeker door de bevoegde Commissie vastgesteld.

Wet van 24 april 1957

Artikel 10.

§ 1.

a) De invaliden die, wegens hun lichaamsgebrek, in de onmogelijkheid verkeren zich voort te bewegen, zich te geleiden of alleen sommige noodzakelijke 1evensverrichtingen te vervullen en verplicht zijn gewoonlijk een beroep te doen op de verzorging van een derde persoon mogen, buiten het eigen1ijk invaliditeitspensioen, aanspraak maken op een speciale vergoeding waarvan het maximumbedrag gelijk is aan l00% van het pensioenbedrag, dat voor een inva1iditeit van 100 % verkregen wordt, door de in artikel 6 § 1, bepaalde berekening.

Wet van 15 maart 1954 + Wet van 24 april 1957 ( 6 )

b) De oorlogsinvaliden wegens krankzinnigheid die een vergoedbare invaliditeit van 100 % tot gevolg heeft en niet in een bijzondere inrichting opgesloten zijn, kunnen een bijzondere vergoeding voor hulp van een derde persoon bekomen volgens het onderscheid dat gemaakt wordt bij a).

Wet van 15 maart 1954 +Wet van 24 april 1957 ( 7 )

Dit geldt eveneens voor de invaliden aangetast door ziekten, die een totale vergoedbare invaliditeit van 100 % medebrengen en die, uit dien hoofde, blijvend dienen de kamer te houden of te bed te blijven.

c} De toekenningsvoorwaarden van deze speciale vergoeding zullen bij koninklijk besluit worden bepaald.

Wet van 15 maart 1954

§ 2.

De slachtoffers wier invaliditeit werd bepaald op grond van de artikelen 71 tot 76 en 216 tot 221 van de in artikel 7 bedoelde officiële Belgische Schaal der invaliditeiten kunnen, naast hun pensioen, aanspraak maken op amputatievergoedingen, waarvan het jaar1ijks bedrag als volgt wordt vastgesteld :

Montants des indemnités d'amputation
Nummer van
de schaal
Bedrag van de
vergoeding (in frank)
Nummer van
de schaal
Bedrag van de
vergoeding (in frank)
71
72
73
74
75
76
18.496
17.016
15.908
14.796
11.096
9.248
216
217,a
217,b
218
219
220,a
220,b
220,c
221
11.020
10.100
 9.184
 8.436
 8.436
 6.120
 5.624
 5.624
 5.624

Voor de lichaamsgebreken bedoeld in de hierboven vermelde artikelen 71 tot 76 en 216 tot 221 worden, voor de toepassing van deze wet, eventueel bij assimilatie, de invaliditeitspercentages bepaald in bijlage 1 van de wet van 5 mei 1936 in aanmerking genomen.

Wet van 15 juni 1967

§ 3.

De slachtoffers die vergoed worden naar rato van 100 % kunnen wegens de hierna vermelde lichaamsgebreken, naast hun pensioen, aanspraak maken op de volgende jaarlijkse vergoedingen:

Nummer van de schaal Aard van het lichaamsgebrek Bedrag van de vergoeding (in frank) 5, 7 en 8

Indemnités annuelles en sus des pensions des victimes indemnisées à raison de 100 p.c.
Numéro
du barême
Nature de l'infirmité Montant de l'indemnité
(en francs)
5, 7 et 8 Gelaatsschending (zonder blindheid) 16.312
309 Volledig verlies van twee ledematen,ongeacht in welk verband 21.432
310 Volledig verlies van een lid en een voet of van een lid en vier of vijf vingers in een hand 21.432
311a Volledig verlies van beide handen 24.492
311b Volledig verlies van de voorarmen 26.024
311c Volledig verlies van een arm en een voorarm 27.556
311d Afzetting in beide schoudergewrichten 32.624
312 Verlies van beide voeten 16.312
313 et 314 Verlies van beide onderste ledematen tot op verschillende hoogten 19.900
315 Verlies van de vijf vingers van beide handen 19.560
316 Verlies van vier vingers van beide handen 13.040
723 et 728 Blindheid 40.776
- Verlies van drie ledematen 32.624
- Verlies van vier ledematen 40.776
- Quadriplegie 32.624
- Paraplegie 16.312
- Hemiplegie 16.312

Voor de lichaamsgebreken bedoeld in artikel 312 van de Officiële Belgische Schaal der invaliditeiten wordt, voor de toepassing van deze wet, bij assimilatie, het invaliditeitpercentage bepaald in bij1age II van de wet van 5 mei 1936 in aanmerking genomen.

Wet van 15 juni 1967

§ 3 bis.

Voor de toepassing van de §§ 2 en 3 worden met de anatomische verliezen in de eigenlijke zin van die woorden gelijkgesteld de krachtens één der schaalnummers aangehaald in die §§ 2 en 3 "bij assimilatie" in aanmerking genomen functionele verliezen.

Wet van 6 juli 1964

§ 4.

De vergoedingen in de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel genoemd kunnen samengevoegd worden (8).

§ 5.

Indien sommige lichaamsgebreken, stellig veroorzaakt door een schadelijk feit, geen aanleiding kunnen geven op pensioen omdat een eerste lichaamsgebrek reeds 100 % bereikt, kunnen zij evenwel aanleiding geven tot de bij dit artikel bepaalde vergoedingen.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 10 bis.

De slachtoffers wier invaliditeit geheel of gedee1telijk veroorzaakt werd door de vrijwillige onttrekking aan de verplichtingen van militaire aard opgelegd door de vijand of zijn agenten en wier hoedanigheid van werkweigeraar werd erkend door de in artikel 4 bedoelde overheden, hebben, naast hun pensioen en de in artikel 10 bepaalde vergoedingen, recht op een speciale jaarlijkse vergoeding gelijk aan die welke toegekend wordt aan de onder dwang bij het Duitse leger ingelijfden krachtens artikel 6 (1) en (2) van het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland over de vergoeding van de oorlogsslachtoffers, ondertekend te Brussel op 21 september 1962 en goedgekeurd bij de wet van 10 februari 1964.

De vergoedingen toegekend met toepassing van het hierboven verme1de verdrag komen in mindering van de bij dit artikel bedoelde vergoedingen.

Wet van 15 juni 1967

Artikel 10 ter.

Overeenkomstig de tabel hierna worden de enige bedragen van de speciale vergoedingen voor hulp van een derde persoon, wegens amputatie of mutilatie bedoeld in artikel 10, vastgeste1d in verhouding tot de enige bedragen van de vergoedingen die uit hoofde van gebreken van dezelfde aard worden toegekend aan de invaliden gerechtigd op de wetten op de vergoedingspensioenen gecoördineerd op 5 oktober 1948, ter uitvoering van de artikelen 12 en 15b) van die gecoördineerde wetten.

Wat betreft de speciale vergoedingen voor hulp van een derde persoon wordt voor de toepassing van dit artikel geen rekening gehouden met artike1 1, § 2, tweede lid, van de wet var 16 maart 1954 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen.

Periodes en verhoudingen :

  • Van 1 april 1972 tot 31 december 1973 = 85 %.
  • vanaf 1 januari 1974 tot 31 december 1981 = 95 %.
  • vanaf 1 januari 1982 = 100 %.

Wet van 23 december 1970 + Wet van 28 mei 1975 + Wet van 4 juni 1982

De aldus berekende en op het onmiddellijk lagere veelvoud van 4 afgeronde enige bedragen van de speciale vergoedingen voor hulp van een derde persoon worden evenwel verhoogd met 20 pct. wanneer de gerechtigden invaliden zijn op wie artikel 6, § 2, gewijzigd bij de wetten van 15 juni 1967 en 27 mei 1969, of artikel 6, § 3bis, ingevoegd bij de wet van 15 juni 1967 en gewijzigd bij de wet van 27 mei 1969, van toepassing is.

Wet van 11 juli 1979 b ( 5bis )

Artikel 11.

De invaliditeitspensioenen gaan in de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend, maar kunnen geen uitwerking hebben vóór de datum van het schadelijk feit.

Nochtans ten opzichte van de vóór 31 december 1945 ingediende aanvragen gaan de 'pensioenen in op de datum van het schadelijk feit.

Wet van 15 maart 1954

In de gevallen bedoeld in de twee vorige leden kon de Minister of de bevoegde Commissie op Advies van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst een latere datum vaststellen in geval van stijgende invaliditeitsschaal of een dalende invaliditeitsschaal bepalen.

Wet van 24 april 1957

Het derde lid is eveneens van toepassing wanneer tengevolge van een oorspronkelijke aanvraag of van een herzieningsaanvraag het pensioen, zoals het uit die aanvraag voortvloeit, ingaat op een andere datum dan die welke worden bepaald in het eerste en het tweede lid.

Wet van 23 december 1970

HOOFDSTUK III : PENSIOENEN VOOR RECHTHEBBENDEN

Artikel 12.

§ 1.

Indien het schadelijk feit het overlijden heeft veroorzaakt, zal het pensioen aan de rechthebbenden bedoeld in § 4 van dit artikel verleend worden:

1°- indien het schadelijk feit de enige oorzaak is van het overlijden;

2°- indien het slachtoffer overleden is binnen vijf jaar na de kwetsuur, na het traumatisme of het ongeval voortvloeiend uit de oorlogshandeling en indien dit schadelijk feit noodzakelijk het overlijden veroorzaakt heeft.

§ 2.

Indien de voorwaarden bepaald bij § 1 van dit artikel niet vervuld worden, zal een met de helft of met een vierde verminderd pensioen evenwel kunnen worden toegekend indien het schadelijk feit voor meer dan de helft of de drie vierde een rol gespeeld heeft in de werkelijke oorzaken van het overlijden en indien het de noodzakelijke oorzaak van dit overlijden is.

§ 3.

In alle gevallen waar het overlijden geschied is 15 of 25 jaar na het schadelijk feit, wordt vermoed dat vreemde factoren voor 25 of 50% behoren tot de oorzaken van het overlijden.

Wet van 15 maart 1954

§ 3bis.

De §§ 2 en 3 zijn niet van toepassing :

- met ingang op 1 januari 1970 :

op de pensioenen voor ascendenten bedoeld in § 4, 3° en 4° van dit artikel, wanneer hun inkomsten de minima bepaald bij artikel 15, § 2, eerste lid, te boven gaan ;

- met ingang op 1 april 1970 :

op de pensioenen voor dezelfde ascendenten, doch wanneer hun inkomsten dezelfde minima niet te boven gaan ; - met ingang op 1 juli 1970 :

op de pensioenen voor de overlevende echtgenoot bedoeld in § 4,l°ter van dit artikel.

Wet van 23 december 1970 en 7 juni 1989 ( 25 )

§ 4.

Als rechthebbenden, in de zin van deze wet, worden aangemerkt:

1°.- de overlevende echtgenoot, indien het huwelijk plaats had vóór de verwonding of vóór de oorsprong van de ziekte of van de verergering ervan, die het gevolg zijn van de oorlogshande1ing, en indien hij vóór het overlijden van het slachtoffer niet van tafel en bed was gescheiden ingevolge een eis door dit slachtoffer ingesteld;

Wet van 15 maart 1954 en 7 juni 1989 ( 26 )

1°bis.- de overlevende echtgenoot niet van tafel en bed gescheiden op grond van een beslissing gewezen op verzoek van het slachtoffer, indien het huwelijk ten minste één jaar heeft geduurd en indien dit huwelijk, hoewel gesloten na het schadelijk feit, aangegaan werd vóór 29 september 1950.

Wet van 6 juli 1964

Die datum wordt op 1 juli 1961 gebracht; in dat geval kan de overlevende echtgenoot het pensioen slechts genieten vanaf de eerste dag van de maand na die tijdens welke zij de leeftijd van 45 jaar bereikt.

Wet van 15 juli 1976 ( 8bis ) en 7 juni 1989 { 25 )

Wanneer de oorlogshandeling bestaat in de verplichte inlijving bij de Wehrmacht en het slachtoffer door een van de geallieerde Naties tot na 28 september 1945 in gevangenschap is gehouden, moet het huwelijk zijn aangegaan: - hetzij toen het slachtoffer de leeftijd van 40 jaar niet had bereikt; - hetzij binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de dag waarop de gevangenschap heeft opgehouden en het slachtoffer naar zijn haardstede is kunnen terugkeren.

Wet van 18 juli 1973 + Wet van 15 juli 1976

1°ter.- Bij gebreke van wezen in het genot van het pensioen bepaald bij de artikelen 14, § 2 of l6bis, § 1, b),andere dan die bedoeld in artikel 17bis, de overlevende echtgenoot bedoeld in 1° en 1°bis die een nieuw huwelijk hebben aangegaan na het overlijden van het slachtoffer en wier nieuwe echtgenoot overleden is.

Wanneer er wezen zijn als bedoeld in het vorenstaande lid, wordt het pensioen van de overlevende echtgenoot toegekend onder opschortende voorwaarde tot de eerste dag van het kwartaal na dat waarin het pensioen van diezelfde wezen te niet gaat.

Wet van 23 december 1970 en wet van 7 juni 1989 ( 25 )

1° quater. - "Bij gebreke van wezen in het genot van het pensioen bepaald bij de artikelen 14, § 2, of 16 bis,§l, b), andere dan die bedoeld in artikel 17bis, de overlevende echtgenoot bedoeld in 1° en l°bis die een nieuw huwelijk hebben aangegaan na het overlijden van het slachtoffer.

"Voor de toepassing van het vorenstaande lid wordt de na nieuw huwelijk uit de echt gescheiden overlevende echtgenoot als hertrouwde overlevende echtgenoot beschouwd.

Wanneer er wezen zijn als bedoeld in het vorenstaande lid, wordt het pensioen van de overlevende echtgenoot toegekend onder opschortende voorwaarde tot de eerste dag van het kwartaal na dat waarin het pensioen van diezelfde wezen te niet gaat.

Wet van 30 december 1977 en wet van 7 juni 1989 (25)

2°- De wettige, gewettigde en aangenomen kinderen, de natuurlijke kinderen door het slachtoffer erkend, de natuurlijke kinderen die niet door hun moeder erkend zijn indien de naam van de moeder, welke slachtoffer is van de oor1ogshandeling op de geboorteakte vermeld staat, de natuurlijke kinderen die niet door hun vader erkend zijn indien de vader, welke slachtoffer van de oorlogshandeling is, veroordeeld was om hun het jaarlijks pensioen bedoeld in artikel 340 b van het Burgerlijk Wetboek uit te betalen.

Wet van 15 maart 1954

Om voor deze wet in aanmerking te komen, moeten die kinderen verwekt zijn vóór het schadelijk feit of gesproten zijn hetzij uit een huwelijk aangegaan vóór het schadelijk feit, hetzij een huwelijk aangegaan binnen de termijnen gesteld bij vorenstaand 1°bis.

Wet van 6 juli 1964

Is het slachtoffer de man, dan kan het kind geen enkele aanspraak hebben wanneer het driehonderd dagen na de ontbinding van het huwelijk is geboren of wanneer bewezen is dat de man gedurende de tijd die ver1open is sedert de driehonderdste tot de honderdtachtigste dag vóór de geboorte van dat kind, hetzij uit oorzaak van verwijdering hetzij tengevolge van enig toeval, in de physische onmogelijkheid was om met zijn vrouw gemeenschap te hebben.

Wet van 15 maart 1954

3° "Indien het recht op het pensioen niet kan toegekend worden aan de voornoemde personen of aan de personen bedoeld in artikel 17 quater van deze wet, de vader en moeder van het slachtoffer of één van hen wanneer de andere overleden is."

Wet van 30 juni 1983

Bij overlijden van de moeder of wanneer zij geen aanspraak kan maken op het pensioen, wordt met haar gelijkgesteld : de stiefmoeder die het slachtoffer ten minste gedurende vijf jaar vóór de leeftijd van 18 jaar heeft opgevoed en onderhouden.

Wet van 6 juli 1964

Indien de ouders uit de echt gescheiden, van tafel en bed of feitelijk gescheiden zijn, is het pensioen hun afzonderlijk verschuldigd. In dat geval wordt als rechthebbende alleen die echtgenoot aangemerkt die het slachtoffer gedurende ten minste 5 jaar vóór de leeftijd van 18 jaar heeft opgevoed en onderhouden.

Indien het recht op pensioen niet kan toegekend worden aan de vader en de moeder van het slachtoffer of aan één dezer, kunnen dezelfde voordelen als aan de vadcr of de moeder zijn verleend, toegekend worden aan de personen die bewijzen dat zij het slachtoffer ten minste gedurende 5 jaar voordat het 18 jaar is geworden, hebben opgenomen, opgevoegd en onderhouden.

4°- De grootouders van het slachtoffer of één hunner, indien het recht op pensioen niet aan voornoemde personen kan worden toegekend;

5°- Bij ontstentenis van voornoemde personen de broeders en zusters beneden 16 jaar van wie het slachtoffer de steun was.

§ 5. De toekenning van het pensioen aan de rechthebbenden van een voorgaande rang belet het pensioen aan andere rechtverkrijgenden later toe te kennen.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 13.

lste lid

§ 1.

Het jaarlijkse pensioen van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4,1° is gelijk aan 62 pct. van het bedrag van het jaarlijks pensioen bij artikel 6, § 1 vastgesteld wegens 100 pct. invaliditeit, of met ingang van 1 april 1970, bij het artikel 6 bis, a) :

Wet van 27 mei 1969 + 23 december 1970 ( 9 )

Met uitwerking op 1 januari 1983 wordt het aangevuld met de volgende bepaling:

"Dit pensioen wordt verhoogd met de helft van het verschil tussen een aldus berekend pensioen en dat voor de berekening waarvan het referentiebedrag van het jaarlijks pensioen op grondslag van 100 pct. invaliditeit datgene is bedoeld bij artikel 6bis, b)."

Wet van 30 juni 1983

Met uitwerking op 1 januari 1984 wordt het vervangen door de volgende bepaling: "Het jaarlijks pensioen van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1°, is gelijk aan 62 pct. van het bedrag van het jaarlijks pensioen bij art. 6bis, b), vastgesteld wegens 100 pct. invaliditeit".

Wet van 30 juni 1983

2de lid.

Het jaarlijkse pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1° bis, is gelijk aan 50,56 pct. van het bedrag van het jaarlijks pensioen van de langstlevende echtgenoot, vastgesteld bij het voorgaande lid.

Wet van 27 mei 1969 + 23 december 1970 ( 9 ) + 7 juni 1989 ( 25 )

3de lid.

Het jaarlijkse pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1° ter wordt:

a) over de periode van 1 juli 1975 tot 30 juni 1976, vastgesteld op het enig bedrag van 11.060 fr verhoogd met de helft van het verschil tussen dit laatste bedrag en het bedrag van het jaarlijkse met de helft verminderd pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1° bis;

b) met ingang van 1 juli 1976, vastgesteld op het bedrag van het jaarlijkse met de helft verminderd pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1°- bis.

Wet van 15 juli 1976 + 7 juni 1989) ( 25 )

4e lid.

"Het bedrag van het jaarlijks pensioen van de overlevende echtgenootbedoeld in artikel 12, § 4, 1° quater, is hetzelfde als dat toegekend aan de hertrouwde overlevende echtgenoot van een burgerlijk slachtoffer van de oorlog 1914-1918."

Wet van 30 december 1977 + 7 juni 1989 ( 25 )

§ 2.

De langstlevende echtgenoot die samenleeft kan geen aanspraak maken op pensioen.

Wanneer de vorming van het huishouden plaats heeft na de ingangsdatum van het pensioen wordt dit afgeschaft met in- gang van de eerste dag van het kwartaal volgend op datgene waarin het huishouden werd gevormd.

Voor de toepassing van dit artikel wordt als huishouden beschouwd elke samenwoning van personen van verschillend geslacht, behalve wanneer die personen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad.

"Wanneer het nieuw huwelijk van de overlevende echtgenoot plaats heeft na de ingangsdatum van een van de pensioenen waarop de overlevende echtgenoot aanspraak kan maken, wordt dat pensioen afgeschaft met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op datgene waarin het nieuwe huwelijk werd aangegaan en vanaf dat ogenblik ambtshalve vervangen door het pensioen bedoeld in § 1, vierde lid van dit artikel.

Wet van 7 juni 1989 ( 25 )

"Wanneer de hertrouwde overlevende echtgenoot opnieuw weduwe/weduwnaar wordt na de ingangsdatum van datzelfde pensioen bedoeld in § 1, vierde lid, van dit artikel, wordt dit, op aanvraag van de belanghebbende, vervangen door dat, naar gelang van het geval, bedoeld in § 1, derde lid van dit artikel of in artikel 16bis, § 1, a) , derde lid van deze wet".

Wet van 30 december 1977 + 7 juni 1989 ( 25 )

Artikel 14.

§ 1.

De kinderen bedoeld in artikel 12, § 4 2° ontvangen vergoedingen gelijk aan de gezinsprestaties verschuldigd voor de wezen bedoeld 1n artikel 56 bis,§ 2, van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

Artikel 6, § 4, leden 2 tot 6 van deze wet, zijn van toepassing.

Wet van 23 december 1970

§ 2.

Bovendien hebben de kinderen, bedoeld in artikel 12, § 4, 2° gezame1ijk recht op een jaarlijks pensioen:

a) indien zij ouderloos zijn;

b) indien het slachtoffer hun vader was, terwijl de moeder van hem gescheiden was, of zij van tafel en bed gescheiden was op grond van een beslissing, gewezen ingevolge een aanvraag van het slachtoffer;

c) indien de langstlevende echtgenoot, krachtens de wet, geen of niet langer aanspraak kan maken op pensioen.

Dit jaarlijks pensioen is gelijk aan:

1° het bedrag van het jaarlijkse pensioen van de langstlevende echtgenoot vastgesteld bij artikel 13, § 1, eerste lid, indien de kinderen verwekt zijn vóór het schadelijk feit of gesproten zijn uit een huwelijk aangegaan vóór het schadelijk feit;

2° het bedrag van het jaarlijkse pensioen van overlevende echtgenoot bepaald bij artikel 13, § 1, tweede lid, indien de kinderen gesproten zijn uit een huwelijk aangegaan binnen de termijn bepaald bij artikel 12, § 4, 1° bis.

Wet van 7 juni 1989 ( 25 )

Wanneer eenzelfde slachtoffer kinderen nalaat waarvan de enen aanspraak kunnen maken op het jaarlijks pensioen bedoeld in 1°, en de anderen op het jaarlijkse pensioen bedoeld in 2°, hebben al die kinderen zonder onderscheid samen recht op het pensioen bedoeld in 1°.

De pensioenen bedoeld in deze paragraaf worden gelijkelijk verdeeld over al de kinderen die nog geen 18 jaar oud zijn.

Voor wezen (lees kinderen) die recht geven op kinderbijslag, wordt het voordeel van de bij het eerste, tweede en derde lid, gestelde bepaling behouden boven de leeftijd van 18 jaar en ten laatste tot de leeftijd van 25 jaar.

Wet 18 mei 1998 uitwerking op 1 september 1998

Artikel 14 bis.

Wijzigingen aangebracht in de gezinsprestaties toegekend krachtens de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zijn ambtsha1ve van toepassing op de artikelen 6, § 4 en 14 § 1 van deze wet.

Wet van 23 december 1970

Artikel 15.

§ 1.

Zo de inkomsten van de gerechtigden niet meer bedragen dan de in § 2 vastgestelde minima, worden de pensioenen van de ascendenten als volgt bepaald :

Wet van 28 mei 1975

a) Over de periode van 1 oktober 1969 tot 31 maart 1970 : 14.424 frank;

Over de periode van 1 april 1970 tot 31 maart 1971 : 73 pct. van het enig bedrag van het pensioen ter uitvoering van artikel 33 van de wetten op de vergoedingspensioenen gecoördineerd op 5 oktober 1948, toegekend aan de categorie ascendenten opgesomd in artike1 32, 1°, van die gecoördineerde wetten.

Met ingang van 1 april 1971 : 75 pct. van hetzelfde enig bedrag.

Wet van 23 december 1970

Voor de vader en de moeder samen, met overdracht van het pensioen van ambtswege aan de langstlevende echtgenoot bij overlijden van een van de echtgenoten ;

Voor de vader die weduwnaar is geworden en niet hertrouwd is alsmede voor de moeder die weduwe is geworden en niet hertrouwd is ;

Voor de niet herhuwde moeder, indien zij de enige gerechtigde is ;

Voor de alleenstaande moeder, gescheiden, van tafel en bed gescheiden of feitelijk gescheiden, wanneer zij het slachtoffer gedurende een perio1e van ten minste vijf jaar vóór de leeftijd van 18 jaar alleen heeft opgevoed en onderhouden ;

Voor de moeder alleen, ingeval de vader afstand doet; -Voor de vrouw indien zij de enige rechthebhende is krachtens artikel 12, § 4, 3°, laatste lid.

Wet van 6 juli 1964 + Wet van 28 mei 1975

b) Over de periode van 1 oktober 1969 tot 31 maart 1970 : 7.204 frank;

Over de periode van 1 april 1970 tot 31 maart 1971: 73 pct. van het enig bedrag van het pensioen ter uitvoering van artikel 33 van de wetten op de vergoedingspensioenen gecoördineerd op 5 oktober 1948, toegekend aan de categorie ascendenten opgesomd in artikel 32, 2 van dezelfde gecoördineerde wetten ;

Met ingang van 1 april 1971 : 75 pct. van hetzelfde enig bedrag.

Wet van 23 december 1970 ( 11bis )

Voor de vader en de moeder elk afzonderlijk, wanneer zij gescheiden, van tafel en bed gescheiden of feitelijk gescheiden zijn, in dat geval kan het pensioen van de ene niet verhoogd worden tengevolge van het overlijden van de andere;

Voor de hertrouwde moeder of voor die welke op het ogenblik van de geboorte van het slachtoffer niet gehuwd was, maar daarna een huwelijk heeft aangegaan ; -Voor elke andere persoon dan de alleenstaande vrouw in het geval bedoeld in artikel 12, §4, 3°, laatste lid;

Voor iedere grootvader of iedere grootmoeder ;

en in alle andere onder a) niet bepaalde gevallen waarin een recht op het ascendentenpensioen bestaat.

Iedere verandering van toestand welke tot gevolg heeft de ascendent of ascendenten van de ene naar de andere der twee categorieën bepaald bij a) en b) te doen overgaan, brengt ambtshalve herziening van het pensioenbedrag mee. Die herziening heeft uitwerking de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de verandering van toestand.

§ 2.

Het genot van de in § 1 bepaalde pensioenen wordt aan de ascendenten slechts verleend op voorwaarde:

1° dat hun aan de aanvullende personele belasting onderworpen inkomsten de minima niet overtreffen welke van die belasting zijn vrijgesteld, wanneer het inkomsten betreft die behoren tot een aanslagjaar dat het aanslagjaar 1964 voorafgaat ;

2° dat hun aan de personenbe1asting onderworpen inkomsten niet meer bedragen dan het dubbele van de minima welke van die belasting zijn vrijgesteld, wanneer het inkomsten betreft die behoren tot het aanslagjaar 1964 of een later aanslagjaar.

De in aanmerking te nemen inkomsten zijn die welke behoren tot het aanslagjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de aanvraag om pensioen werd ingediend. Wanneer de aanvraag evenwel werd ingediend vóór 1 januari 1954, zijn de in aanmerking te nemen inkomsten die welke behoren tot het aanslagjaar 1952.

De inkomsten bedoeld in het eerste lid, 2° worden bepaald overeenkomstig de beschikkingen van titel II, hoofdstuk II, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, de artikelen 73 tot 76 niet uitgezonderd.

Wanneer de inkomsten van de gerechtigden de in het eerste lid vastgestelde minima overtreffen, blijft het genot van het pensioen geschorst tot het aans1agjaar tijdens hetwelk de inkomsten die minima niet meer overtreffen. Het genot van het pensioen wordt dan toegekend van de eerste dag van dat aans1agjaar af, doch ten vroegste op 1 januari 1957.

De administratie der directe belastingen is gemachtigd, rechtstreeks en zonder de instemming der belastingplichtigen, aan de met de uitvoering van deze wet belaste dienst, de nodige inlichtingen te verschaffen voor de toepassing ervan.

Wet van 6 ju1i 1964 + wet van 23 juli 1970 ( 12 )

§ 2 bis.

Wanneer de inkomsten van de gerechtigden de in § 2, eerste lid, vastgeste1de minima te boven gaan, worden de pensioenen bepaald bij § 1 verminderd overeenkomstig a) en b) hierna:

a) Wat betreft de categorie ascendenten opgesomd in § 1, a :

Over de periode van 1 januari 1970 tot 31 maart 1971 : 73 pct. van het enig bedrag van het pensioen, ter uitvoering van artikel 32,1° van de wetten op de vergoedingsrensioenen gecoördineerd op 5 oktober 1948, toegekend aan de categorie ascendenten opgesomd in die bepaling ;

Met ingang van 1 april 1971 : 75 pct. van hetzelfde enig bedrag.

b) Wat betreft de categorie ascendenten opgesomd in § 1, b :

Over de periode van 1 januari 1970 tot 31 maart 1971 : 73 pct. van het enig bedrag van het pensioen, ter uitvoering van artikel 32,2° van de wetten op de vergoedingspensioenen gecoördineerd op 5 oktober 1948, toegekend aan de categorie ascendenten opgesomd in die bepa1ing;

Met ingang van 1 april 1971 : 75 pct. van hetzelde enig bedrag.

De pensioenen blijven aldus verminderd tot het aanslagjaar tijdens hetwelk de inkomsten de minima vastgesteld in het eerste lid niet meer te boven gaan. Het genot van het volle pensioen wordt dan toegekend van de eerste dag van dat aanslagjaar af, eventueel onder aftrek van het sedert die datum verschuldigd verminderd pensioen.

Het tweede, derde en vijfde lid van § 2 zijn van toepassing op deze § 2 bis.

Wet van 23 december 1970

§ 2 ter.

Het genot van het krachtens § 1 eenmaal toegekende pensioen kan niet meer worden ingetrokken, welke ook de inkomsten zijn over latere aanslagjaren dan dat in aanmerking genomen voor de toekenning van dat genot.

Wet van 23 december 1970 ( 12bis )

Artikel 16.

§ 1.

De pensioenen van broeders en zusters zijn gelijk aan het tiende van het pensioen dat krachtens artikel 6, § 1, aan de 100 % invalide is verschuldigd.

§ 2.

De pensioenen worden uitbetaald tot de dag waarop de rechthebbende de leeftijd van 16 jaar bereikt.

De leeftijdsgrens valt weg voor de broeders en zusters die vóór die leeftijd lichamelijk onbekwaam zijn om in hun onderhoud te voorzien.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 16 bis.

§ 1.

Indien het overlijden van het slachtoffer veroorzaakt werd door één van de oorlogshandelingen bedoeld in artikel 6, § 3, en de voorwaarden vervuld zijn die in deze paragraaf worden gesteld, worden de jaarlijkse pensioenen van de rechthebbenden verhoogd als volgt:

a) Het pensioen van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1°, wordt gebracht op 62 pct. van het bedrag van het jaarlijkse pensioen bij artikel 6, § 3 bis of vanaf 1 april 1970 bij artikel 6 bis d) vastgesteld wegens 100 pct. invaliditeit.

Wet van 27 mei 1969 en wet van 23 december 1970 ( 13 )

Het pensioen van overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, l°bis, wordt gebracht op 50,56 pct. van het jaarlijkse pensioen van de langstlevende echtgenoot vastgesteld bij het voorgaande lid.

Wet van 27 mei 1969 en wet van 23 december 1970 ( 14 ) + 7 juni 1989) ( 25 )

Het pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1°ter, wordt vastgesteld: - over de periode van 1 juli 1975 tot 30 juni 1976 op het enige bedrag van 13.992 fr verhoogd met de helft van het verschil tussen dit laatste bedrag en het jaarlijkse met de helft verminderd pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1° bis; - met ingang van 1 juli 1976, vastgesteld op het bedrag van het jaarlijkse met de helft verminderd pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1° bis.

Wet van 15 juli 1976 + 7 juni 1989 ( 25 )

b) Het gezamelijk pensioen van de kinderen verwekt vóór het schadelijk feit of gesproten uit een huwelijk aangegaan vóór het schadelijk feit, wordt gebracht op het bedrag van het jaarlijkse pensioen van de langstlevende echtgenoot vastgesteld bij deze paragraaf a), eerste lid.

Het gezamelijk pensioen van de kinderen gesproten uit een huwelijk aangegaan binnen de termijnen bedoeld in artikel l2,§ 4, 1° bis, wordt gebracht op het bedrag van het jaarlijks pensioen van de overlevende echtgenoot vastgesteld bij deze paragraaf a, tweede lid."

7 juni 1989 ( 25 )

Wanneer eenzelfde slachtoffer kinderen nalaat waarvan de enen aanspraak kunnen maken op het pensioen bedoeld in deze b), eerste lid, en de anderen op het pensioen bedoeld in het tweede lid, hebben al die kinderen zonder onderscheid samen recht op het pensioen bedoeld in het eerste lid van dezelfde b.

Wet van 27 mei 1969 + wet van 18 juli 1973 ( 15 )

c) De pensioenen voor ascendenten worden vastgesteld als volgt:

Tijdens dezelfde periodes worden voor dezelfde categorieën van ascendenten en onder dezelfde voorwaarden inzake inkomsten a1s die bepaa1d bij artikel 15, de pensioenbedragen van "14.424 frank" en "7.204 fr." alsmede de verhoudingen "73 pct." en "75 pct." bij dezelfde bepaling vastgesteld, respectievelijk verhoogd tot "15.864 frank", "7.924 frank". "8l pct." en "85 pct.".

d) Het bedrag van de pensioenen voor broers en zusters, bepaald bij artikel 16, wordt verhoogd met 10 pct."

Wet van 23 december 1970

§ 2.

Indien het overlijden van het slachtoffer gehee1 of ten dele veroorzaakt werd door de vrijwillige onttrekking aan de verplichtingen van militaire aard opgelegd door de vijand of zijn agenten en dit slachtoffer als werkweigeraar werd erkend door de overheden bedoeld in artikel 4, hebben de rechthebbenden die geen aanspraak kunnen maken op de speciale jaarlijkse vergoeding voor rechthebbenden bedoeld in artikel 6, (1) en (2) van het Verdrag tussen het Koninkrijk Be1gië en de Bondsrepubliek Duitsland over de vergoeding van de oorlogsslachtoffers, ondertekend te Brussel op 21 september 1962 en goedgekeurd bij de wet van 10 februari 1964, naast hun pensioen, recht op een specia1e jaarlijkse vergoeding van hetzelfde bedrag.

§ 3.

De bedragen verkregen met toepassing van § 1 en § 2 worden na weglating van de frankgedeelten, afgerond op het onmiddellijk lagere veelvoud van vier.

Wet van 15 juni 1967

Artikel 16ter.

Indien het overlijden van het slachtoffer veroorzaakt werd door de oorlogshandeling bedoeld bij artikel 6, bis, e), en de voorwaarden gesteld in die rubriek vervuld zijn, worden de jaarlijkse pensioenen van de rechthebbenden verhoogd als volgt :

a) Het pensioen van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 1° , wordt gebracht op 62 pct. van het bedrag van het jaarlijks pensioen bij artikel 6 bis, f), vastgesteld wegens 100 pct. invaliditeit.

Het jaarlijks pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 10 bis, wordt gebracht op 50,56 pct. van het bij het voorgaande lid vastgestelde jaarlijks pensioen van de langstlevende echtgenoot.

Het jaarlijks pensioen van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel 12, § 4, 10 ter, wordt gebracht op het bedrag van het jaarlijks pensioen, verminderd met de helft, van de overlevende echtgenoot bedoeld in artikel l2,§ 4, 1° bis.

b) Het gezamenlijk pensioen van de kinderen verwekt vóór het schadelijk feit of gesproten uit een huwelijk aangegaan vóór het schadelijk feit, wordt gebracht op het bedrag van het bij dit artikel, punt a), eerste lid, vastgestelde jaarlijks pensioen van de langstlevende echtgenoot.

Het gezamenlijk pensioen van de kinderen gesproten uit een huwelijk aangegaan binnen de termijnen bedoeld in artikel 12, § 4, 1° bis, wordt gebracht op het bedrag van het jaarlijks pensioen van overlevende echtgenoot, vastgesteld bij dit artikel, punt a), tweede lid.

Wanneer een zelfde slachtoffer kinderen nalaat waarvan de enen aanspraak kunnen maken op het pensioen bedoeld in deze b), eerste lid, en de anderen op het pensioen bedoeld in het tweede lid, worden al die kinderen, zonder onderscheid, beschouwd recht te hebben op het gezamenlijk pensioen, bedoeld in het eerste lid van dezelfde b).op de speciale jaar1ijkse vergoeding voor rechthebbenden bedoe1d in artikel 6, (1) en (2) van het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland over de vergoeding van de oorlogsslachtoffers, ondertekend te Brussel op 21 september 1962 en goedgekeurd bij de wet van 10 februari 1964, naast hun pensioen, recht op een speciale jaarlijkse vergoeding van hetzelfde bedrag.

c) De ascendentenpensioenen worden vastgesteld als volgt: ten opzichte van dezelfde categorieën ascendenten en onder dezelfde inkomstenvoorwaarden als die bepaald bij artikel 15 wordt de verhouding 75 pct. voorgeschreven bij dezelfde bepaling, gebracht op 80 pct.

Wet van 30 juni 1983 + 7 juni 1989 ( 25 )

Artikel 17.

De pensioenen van rechthebbenden gaan in op de data in artikel 11 van deze wet bepaald. Heeft het slachtoffer echter een invaliditeitspensioen getrokken voor het kwartaal tijdens hetwelk hij(zij) is overleden, dan gaat het pensioen pas de eerste dag van het volgend kwartaal in.

Wet van 15 maart 1954) ( 16 )

Artikel 17bis.

Ongeacht de datum van het huwelijk en de oorzaken van het overlijden:

1° De overlevende echtgenoot van een invalide, minstens één jaar vóór zijn overlijden, het voordeel had hetzij van een pensioen berekend uit hoofde van een invaliditeitspercentage van 100 pct., hetzij van de vergoeding voorgeschreven bij artikel 10, §

2, heeft recht, volgens het geval en op voorwaarde dat het huwelijk minstens één jaar geduurd heeft en dat de overlevende echtgenoot niet van tafel en bed gescheiden was op eis van het slachtoffer, op een jaarlijks pensioen gelijk aan 62 pct. van het pensioen van een groot-invalide met 100 pct., gerechtigde:

- van artikel 6bis, b, voor een toevallig slachtoffer;

- van artikel 6bis, d, voor een slachtoffer wiens overlijden het gevolg is van een vaderlandlievende handeling (werkweigeraar of mannen van 16 tot 35 jaar die, in mei 1940, gehoor hebben gegeven aan de oproep van de Regering, om zich bij het leger te voegen ;

- van artikel 6bis, f, voor een slachtoffer wiens overlijden het gevolg is van de wegvoering voor de verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945.

Wanneer de in artikel 6bis, f, bedoelde gerechtigde, vóór 1 oktober 1983 overleden is, wordt hij, voor de toepassing van dit artikel, geacht tijdens de periode van één jaar vóór zijn overlijden, een invaliditeitspensioen genoten te hebben, berekend op basis van datzelfde artikel 6bis, f.

De bepalingen van artikel 13, § 2, van de wet zijn op dit pensioen toepasselijk.

2° Verkrijgen de kinderen bedoeld in artikel 12, 4°, 2°, eerste lid, gesproten uit zulk huwelijk, de vergoedingen vastgesteld bij artikel 14, § 1 : zelfs indien de voorwaarden voorgeschreven bij artikel 14, § 2, eerste lid, niet vervuld zijn, hebben zij bovendien recht op het jaarlijks pensioen vastgesteld, volgens het geval, door 1° van dit artikel.

Wet van 3 augustus 1988 en wet van 7 juni 1989

Artikel 17 ter.

1ste lid.

Wanneer is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12, § 1 of in artikel 17bis, kunnen de langstlevende echtgenoot of de wees die de voorwaarden vervullen om het pensioen voor rechthebbenden tegen het maximumbedrag te genieten, aanspraak maken op een jaarlijkse aanvullende vergoeding.

2de lid.

Die vergoeding is gelijk aan 62 pct. van het bedrag van de aanvullende jaarlijkse vergoeding waarin voorzien bij artikel 6ter ten voordele van de invaliden tegen 100 pct. bedoeld bij artikel 6 bis,a, in geval van toekenning van het pensioen op grond van het bepaalde bedoeld bij artikel 13, § 1, eerste lid.

Wet van 4 juni 1982

Met uitwerking op 1 januari 1983, wordt het tweede lid aangevuld als volgt :

"Die vergoeding wordt verhoogd met de helft van het verschil tussen een aldus berekende vergoeding en die voor de berekening waarvan het referentiebedrag van de jaarlijkse aanvullende vergoeding datgene is bedoeld bij artikel 6bis, b)."

Wet van 30 juni 1983, artikel 33, § 1

Met uitwerking op 1 januari 1984, wordt het voornoemde aldus aangevulde tweede lid vervangen door de volgende bepaling:

"Die vergoeding is gelijk aan 62 pct. van het bedrag van de aanvullende jaarlijkse vergoeding waarin voorzien bij artikel 6ter ten voordele van de invaliden tegen 100 pct. bedoeld bij artikel 6bie, b), in geval van toekenning van het pensioen op grond van het bepaalde bedoeld bij artikel 13, § 1, eerste lid."

Wet van 30 juni 1983, artikel 33, § 2

3de lid.

"Die vergoeding io gelijk aan 62 pct. van het bedrag van de jaarlijkoe aanvullende vergoeding waarin voorzien bij artikel 6ter ten voordele van de invaliden tegen 100 pct. bedoeld bij artikel 6bis, d), in geval van toekenning van het pensioen op grond van het bepaalde bedoeld bij artikel l6bis, § 1, a), eerste lid."

Wet van 30 juni 1983, artikel 33,§ 3 (uitwerking op 1.1.1982)

4de lid.

"Die vergoeding ie gelijk aan 62 pct. van het bedrag van de jaarlijkse aanvullende vergoeding waarin voorzien bij artikel 6ter ten voordele van de invaliden tegen 100 pct. bedoeld bij artikel 6bis, f), in geval van toekenning van het pensioen op grond van het bepaalde bij artikel 16ter, a), eerste lid."

Wet van 30 juni 1983, artikel 33, § 4 (uitwerking op 1.10.1983)

Art.17 quater.

§ 1.

Onder de voorwaarden en op de wijze als bepaald bij de volgende paragrafen kunnen dc overlevende echtgenoten of de wezen die zich in de volgende toestand bevinden aanspraak maken op pensioen :

- aan de vereisten gesteld bij artikel 17bis wordt niet voldaan;
- het schadelijk feit dagtekent van vóór 1 januari 1983.

§ 2.

De bepalingen bedoeld bij de artikelen 5, § 2, 12, §§ 1,2,3,4, 1°, l°bis, 1° ter, 1° quater en 2° : 13,§§ 1 en 2 ; 14, §§ 1 cn 2; 16bis,§ 1, a) en b) ; 17ter van deze wet zijn niet van toepassing op de rechthebbenden bedoeld in § 1 van dit artikel. Alle andere bepalingen van voornoemde wet blijven van toepassing zo daartoe aanleiding bestaat.

§ 3.

De overlevende echtgenoot verkrijgt het pensioen waarin bij dit artikel wordt voorzien voor zover:

1° het huwelijk ten minste 10 jaar gcduurd heeft; indien de invalide evenwel voor 1 januari 1960 over1eden is wordt de vereiste minimumduur van het huwelijk verminderd met een duur gelijk aan het verschil tussen 1960 en het jaartal van het overlijden van de invalide, zonder dat deze minimumduur kleiner mag zijn dan één jaar.

2° de andere echtgenoot tijdens de periode van één jaar voor zijn overlijden zonder onderbreking krachtens deze wet houder is geweest als oorlogsinvalide van een pensioen waarvan het bedrag minstens gelijk is aan dat overeenstemmend met een invaliditeitspercentage van 10 pct. vergoed met toepassing van artikel 6, § 1.

§ 4.

De gescheiden echtgenoot, welke ook de wettelijke bepaling is op basis waarvan de echtscheiding werd uitgesproken, alsook de op eis van de overleden echtgenoot van tafel en bed gescheiden overlevende echtgenoot, kunnen geen aanspraak maken op het pensioen. De overlevende echtgenoot die een nieuw huwelijk aangaat verliest definitief zijn pensioenrechten.

§ 5.

Voor zover zij vader- en moederloze wezen zijn, kunnen de kinderen van de hierboven bedoelde invaliden aanspraak maken op het bij dit artikel voorziene pensioen, indien de invalide die voor hen het recht op pensioen opent, aan de in § 3, 2°, gestelde voorwaarden heeft voldaan.

Het pensioen wordt gezamenlijk toegekend aan de wezen die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt hebben en wordt uitbetaald tot de jongste van hen deze leeftijd bereikt heeft. Voor de wezen die recht geven op kinderbijslag, wordt dit voordeel behouden boven de leeftijd van 18 jaar en ten laatste tot de leeftijd van 25 jaar.

Wet 18 mei 1998 (uitwerking op 1 september 1998)

Het genot van die afwijking moet worden aangevraagd door de belanghebbende in de vormen normaal voorgeschreven voor het indienen van de aanvragen: het pensioen voortvloeiend uit die afwijking gaat in volgens de algemene regelen van kracht inzake ingang van de rechthebbendenpensioenen. Voor de toepassing van dit artikel worden als vader- en moederloze wezen beschouwd de kinderen wier overlevende ouder zijn recht op pensioen krachtens het bepaalde bij § 2, tweede lid of § 4, komt te verliezen.

Het in deze paragraaf bedoelde pensioen wordt verdeeld in gelijke delen onder alle hier bedoelde kinderen die aanspraak op pensioen kunnen maken.

Wanneer een overlevende echtgenoot zijn pensioenrechten verliest met toepassing van § 2, tweede lid, of § 4 van dit artikel, gaat het wezenpensioen ten vroegste in vanaf de eerste dag van het burgerlijk kwartaal volgend op dat waarin het pensioen van de overlevende echtgenoot niet meer verschuldigd is.

§ 6. 1°

1° Het bedrag van het pensioen wordt vastgesteld op een percentage van het bedrag van het pensioen overeenstemmend met de invaliditeitsgraad uit hoofde waarvan de invalide, op grond van deze wet, vergoed werd op de datum van één jaar voor die van zijn overlijden. Dit percentage is hetzelfde als datgene voortvloeiend uit de toepassing van artikel 7 van de wet van 4 juni 1982 tot wijziging van de pensioenregeling der oorlogsweduwen.

2° Voor de toepassing van het voorgaande punt:

- wordt geen rekening gehouden met alle vergoedingen bedoeld bij deze wet met betrekking tot het pensioen; evenwel blijft artikel 16bis, § 2, waarbij, buiten het pensioen, een speciale vergoeding wordt toegekend aan de rechthebbenden van invaliden die zich vrijwillig onttrokken hebben aan de verplichtingen van militaire aard opgelegd door de vijand of zijn agenten, van toepassing;

- indien, gedurende de periode van een jaar voor het overlijden, het bedrag van het invaliditeitspensioen verminderd werd wegens de vaststelling van een afdalende schaal, wordt dit nieuwe bedrag van het invaliditeitspensioen in aanmerking genomen voor de berekening van het pensioen van rechthebbende.

De met het oog op verplichte tewerkstelling weggevoerden van de oorlog 1940-1945, die gedurende ten minste één jaar met toepassing van artikel 6bis a) of b) een invaliditeitspensioen trokken en vóór 1 oktober 1983 overleden zijn, worden met het oog op de toepassing van deze wet geacht een op de grondslag van artikel 6bis e) of f) berekend invaliditeitspensioen te hebben getrokken gedurende een tijdvak van één jaar vóór hun overlijden.

Wanneer het slachtoffer na 30 september 1983 is overleden, is de bepaling van het voorgaande lid slechts van toepassing indien de betrokkene het voordeel van artikel 6bis e) of f), op geldige wijze had aangevraagd.

§ 7.

Er kan slechts één enkel pensioen aan de overlevende echtgenoot of de wezen worden toegekend krachtens dit artikel, de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen, de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen, de wet van 24 april 1958, de wet van 8 juli 1970, de wet van 9 maart 1953 of de wetten op het herstel te verlenen aan de burgerlijke slachtoffers 1914-1918, gecoördineerd op 19 augustus 1921 of de wet van 6 juli 1964 waarbij de toepassing van de wetten betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden wordt uitgebreid tot de gevolgen van sommige feiten die zich hebben voorgedaan op het grondgebied van Kongo (Leopoldstad), van Rwanda en van Burundi.

Bij voorkomend geval wordt enkel het hoogste pensioen toegekend. Evenwel belet een pensioen aan de overlevende echtgenoot of de wezen toegekend in het raam van de toepassing van artikel 5, § 3 bis, van de wetten op het herstel te verlenen aan de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1914-1918 gecoördineerd op 19 augustus 1921 of in het raam van de toepassing van de wet van 4 juni 1982 tot wijziging van de pensioenregeling der oorlogsweduwen, niet de toekenning van een pensioen op grond van dit artikel.

Wet van 7 juni 1989 + 22 december 1989 ( 27 )( 28 ) ( 29 )

HOOFDSTUK IV.- Procedure. SECTIE 1. Indieren der aanvragen.

Artikel 18. ( * )

De aanvragen om een pensioen als burgerlijk oorlogsslachtoffer of als rechthebbende moeten, op straffe van verval, binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet worden ingediend.

Indien het overlijden voortvloeiend uit het schadelijk feit of het schadelijk feit zelf na die datum is geschied, moet de aanvraag, onverminderd het eerste lid, binnen twaalf maanden te rekenen van het overlijden ingediend worden wanneer zij uitgaat van een rechthebbende of vanaf het schadelijk feit, wanneer zij uitgaat van het slachtoffer.

Nochtans, indien het slachtloffer binnen de hierboven voorgeschreven termijn geen aanvraag heeft ingediend en indien zijn overlijden plaats heeft na het verstrijken van deze termijnen, wordt het verval, waaronder zijn aanvraag zou gevallen zijn, op die van zijn rechthebbende toegepast.

De bevoegde commissie kan bij gemotiveerde beslissing de verzoeker van het verval ontheffen, indien bewezen is dat het niet-nakomen der termijnen aan een oorzaak buiten zijn wil of de wil van het slachtoffer, in het geval in het voorgaande lid bedoeld, te wijten is.

Zijn ontvankelijk, de aanvragen die ingediend worden met inachtneming van de vormen en termijnen bepaald bij de besluiten van 20 september 1940 en 20 mei 1941, de besluitwet van 19 september 1945 en de wet van 1 april 1948.

De aanvragen, wegens hetzelfde schadelijk feit, ingediend bij alle openbare besturen en namelijk bij het Bestuur der Militaire Pensioenen, bij de Dienst voor Regeringshulp aan de Politieke Gevangenen, bij de Dienst voor Gebrekkigen en Verminkten, bij het Bestuur van het Zeewezen, bij de Verzoeningsdienst van het Ministerie voor Oorlogsschade, of bij de Dienst voor Onderlinge Hulpver1ening (O.M.A.) en bij het Speciaal Fonds voor de vergoeding der schade voortspruitende uit arbeidsongevallen ingevolge oorlogsbehandelingen zijn eveneens ontvankelijk, met uitwerking op de datum bepaald bij artikel 11, zo de belanghebbenden zich hierop beroepen vóór het verstrijken van de in het eerste lid gestelde termijn ; hetzelfde ge1dt voor de vorderingen, vóór de rechtbanken ingesteld wegens de burgerlijke verantwoordelijkheid van de Belgsiche Staat of van andere openbare besturen.

Wet van 15 maart 1954 + wet van 24 apri1 1957) ( 18 )

Artikel 19.

De aanvragen moeten aan de Minister tot wiens bevoegdheid de belangen van de burger1ijke oorlogsslachtoffers behoren, worden gericht bij een ter post aangetekende brief, ondertekend door het slachtoffer, of zijn rechthebbenden, of, in geval van hervatting van de zaak, door hun erfgenamen.

Onverminderd de bepa1ing van artikel 11, dienen zij het schadelijk feit, de plaats, het tijdstip en de omstandigheden waarin het voorgevallen is, nauwkeurig te vermelden. Daarbij moeten alle bewijsstukken worden gevoegd.

Wet van 15 maart 1954

De ondertekenaars welke in het buitenland, in een ander land dan Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn gevestigd, zijn verplicht woonp1aats in België te kiezen. Zoniet worden ze geacht woonplaats gekozen te hebben bij het Ministerie van Buiten1andse Zaken.

Wet van 6 juli 1964 + wet van 27 mei 1969) ( 19 )

SECTIE 2. - Onderzoek der aanvragen.

Artikel 20.

§ 1.

De aanvragen om invaliditeitspensioenen worden door Staatscommissarissen onderzocht.

Wanneer de aanvraag van meet af aan klaarblijkelijk niet ontvanke1ijk of ongegrond blijkt, wordt deze aanvraag door het verslag van de Staatscommissaris bij de bevoegde invaliditeitscommissie aanhangig gemaakt, zonder dat de tussenkomst van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst gevraagd wordt. In de andere gevallen, onderwerpt de Staatscommissaris de verzoeker van ambtswege aan een geneeskundig onderzoek door de Gerechte1ijk-Geneeskundige Dienst.

Wanneer de schade bestaat uit lichaamsgebreken of in verergering ervan, bepaalt de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst ervan:

1°- de etiologie en de pathogenie ;
2°- het geneeskundig oorzakelijk verband ;
3°- de graad en de duur van de invaliditeit voortvloeind uit de schade.

Wanneer de aanspraken op het invaliditeitspensioen onbetwistbaar zijn, stelt de Staatscommissaris aan de Minister voor, het invaliditeitspensioen toe te kennen en bepaa1t daarbij op grond van het verslag van het geneeskundig onderzoek welke totale invaliditeitsgraad moet worden verleend.

Wet van 15 maart 1954

Het pensioen mag in dit geval hij gemotiveerde ministeriële beslissing toegekend worden.

Wet van 24 april 1957

Wanneer de aanspraken op het invaliditeitspensioen betwistbaar zijn, wordt de zaak bij de bevoegde burgerlijke invaliditeitscommissie aanhangig gemaakt door het vers1ag van de Staatscommissaris.

Wet van 15 maart 1954

§ 2.

De aanvragen om herstel ingediend door de rechthebbenden worden door Staatscommissaris onderzocht.

Wanneer de aanvraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk of ongegrond is, legt de Staatscommissaris het dossier aan de bevoegde burgerlijke invaliditeitscommissie voor, zonder tussenkomst van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst.

Wet van 15 maart 1954

Zo de aanvraag ontvankelijk en gegrond is en indien blijkt uit de gegevens van het dossier dat het schadelijk feit rechtstreeks veroorzaakt werd door de oorlogshandeling en dit schadelijk feit de enige oorzaak is van het overlijden, mag de Minister, op voorstel van een Staatscommissaris en zonder dat de tussenkomst van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst wordt aangevraagd, bij gemotiveerde beslissing het pensioen toekennen.

Wet van 15 maart 1954 + wet van 24 april 1957 ( 19bis )

In de andere gevallen maakt de Staatscommissaris het dossier van de verzoeker aan de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst over.

Wanneer de schade in het overlijden bestaat, bepaalt de Gerichte1ijk-Geneeskundundige Dienst:

1° - de geneeskundige aanvaardbare oorzaken ;
2° - het geneeskundig oorzakelijk verband tussen de oor1ogshandelingen en het overlijden.

Evenwel, wanneer het overlijden voortvloeit uit een lichaamsgebrek dat vooraf aan1eiding heeft gegeven tot een pensioen ten laste van de Staat krachtens deze wet, beperkt de taak van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst zich ertoe het geneeskundig oorzakelijk verband tussen het lichaamsgebrek en het overlijden te bepalen, alsmede de maat waarin dit te wijten is aan het lichaamsgebrek.

Wet van 15 maart 1954

Indien de aanspraken der verzoekers op het pensioen onbetwistbaar blijken mag de Minister, op voorstel van de Staatscommissaris, het pensioen bij met redenen omklede beslissing toekennen.

Wet van 15 maart 1954 + Wet van 24 april 1957 ( 19ter )

Indien de aanspraken op het pensioen niet onbetwistbaar blijken, wordt de zaak door het verslag van de Staatscommissaris voor de bevoegde burgerlijke invaliditeitscommissie aanhangig gemaakt.

Wet van 15 maart 1954

Wanneer het recht op deze wet aan de rechthebbenden wordt toegekend bij een uitvoerbare beslissing en het recht op de voordelen verbonden aan die toekenning afhankelijk wordt gesteld van een opschortende voorwaarde, wordt de uitkering van die voordelen bevolen bij een gewone administratieve beslissing genomen na kennisgeving door de belanghebbenden dat de voornoemde voorwaarde is vervuld.

Wet van 23 december 1970

§ 3.

Bij de vijfjaarlijkse herzieningen bedoeld in de artikelen 8 en 9, behoudt of verhoogt de Minister het pensioen zonder verdere procedure, overeenkomstig de besluiten van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst.

Zo daarentegen uit de besluiten van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst blijkt dat het pensioen schijnt verminderd of afgeschaft te moeten worden, wordt het dossier bij de bevoegde commissie aanhangig gemaakt op het verslag van de Staatscommissaris.

In dit laatste geval worden de betrokkenen ter zitting van de bevoegde commissie opgeroepen. Zij kunnen zich doen bijstaan of vertegenwoordigen, hetzij door een advokaat, hetzij door een door de commissie aanvaarde lasthebber. Indien zij zonder geldige reden nalaten ter terechtzitting te verschijnen of er zich te doen vertegenwoordigen, mag de commissie uitspraak doen in hun afwezigheid.

§ 4.

De beslissingen bedoeld in dit artikel worden aan de belanghebbenden betekend bij een ter post aangetekende brief.

Tegen die beslissingen kan voor de hogere commissie van beroep hoger beroep worden ingesteld, enkel door de aanvrager wanneer het gaat om een beslissing uitgesproken door de bevoegde Minister, door de aanvrager en door de Minister wanneer het een beslissing betreft uitgesproken door de commissie.

De bepalingen van artikel 21, § 3, derde, vierde en vijfde lid, zijn op dat beroep van toepassing.

Het beroep schorst de tenuitvoerlegging niet van de beslissing bedoeld in § 3.

Wet van 6 juli 1964

Dat beroep schorst evenmin de tenuitvoerlegging van de beslissinlt uitspraak doende over het pensioenrecht ingesteld bij artikel 17 quater van deze wet, voor zover de beslissing is getroffen door de Minister.

Wet van 30 juni 1983

Artikel 21.

§ 1.

De pensioenaanvragen, ingediend door de burgerlijke slachtoffers van de oor1og 1940-1945 of hun rechthebbenden, die het voorwerp niet kunnen uitmaken vab een ministeriële beslissing, worden onderzocht door burgerlijke invaliditeitscommissies waarvan de Koning de organisatie en de werking regelt. Deze commissies kunnen uit één of meer Kamers bestaan.

Iedere Kamer wordt samengesteld uit drie leden benoemd door de Minister tot wiens bevoegdheid de belangen der burgerlijke oorlogsslachtoffers behoren, waaronder:

- een voorzitter, die een effectief, plaatsvervangend, emeritus- of eremagistraat is
- een afgevaardigde van de Minister onder wiens bevoegdheid de belangen van de oorlogsslachtoffers ressorteren
- een lid gekozen op een dubbele naamlijst opgemaakt door de erkende groeperingen van gedeporteerden, werkweigeraars of burgerlijke oorlogsslachtoffers.

Plaatsvervangende leden kunnen genoemd worden. De Kamer kan zich een raadgevend geneesheer toevoegen. Een Staatscommissaris brengt verslag uit bij de Commissie.

Wet 16 juni 1998 ( uitwerking 1 september 1998)

§ 2.

Deze commissies beschikken over alle recht van onderzoek. Zij mogen ondermeer hun toevlucht nemen tot een deskundig onderzoek door de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst en diene dit te doen vooraleer het pensioen toe te kennen, indien het invaliditeitspercentage voorheen door die Dienst niet werd vastgesteld of indien de geneeskundig aannemelijk redenen van het overlijden en het geneeskundig oorzakelijk verband tussen de oorlogshandeling en het overlijden niet reeds door de Gerechtlijk-Geneeskundige Dienst werden bepaald.

De procedure is schriftelijk. De beslissingen zijn met redenen omkleed.

§ 3.

Het Bestuur betekent aan de aanvrager de beslissing van de Commissie, bij een ter post aangetekende brief.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker en voor de bevoegde Minister beroep open vóór de Hogere Commissie van beroep.

Het beroep moet met redenen omkleed zijn.

Wanneer het beroep uitgaat van de aanvrager, moet het worden ingediend bij een ter post aangetekende brief gericht aan de Dienst der pensioenen voor burgerlijke slachtoffers van het bevoegd Ministerie, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de datum van de betekening der beslissing.

Wanneer het beroep uitgaat van de bevoegde Minister, moet het worden ingediend binnen zestig dagen na de afgifte ter post van de aangetekende brief, bedoeld bij het eerste lid van deze paragraaf. Dit beroep wordt vastgesteld door een door de Minister geparafeerde inschrijving op een register van beroep en wordt aan de aanvrager betekend bij een ter post aangetekende brief.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 22.

§ 1.

Een Hogere Commissie van beroep wordt ingesteld, die er mede belast is over de bij artikelen 20,21 en 24 bepaalde beroeper uitspraak te doen. De zaak wordt bij deze Commissie aanhangig gemaakt door het verslag van de Staatscommissaris. Het beroep brengt alle punten van de bestreden beslissing opnieuw ter sprake.

§ 2.

De Hogere Commissie van beroep kan, naargelang van de vereisten, in Kamers ingedeeld wordcn. Iedere Kamer bestaat uit vijf 1eden, benoemd door de Minister tot wiens bevoegdheid de nelangen der burgerlijke oorlogsslachtoffers behoren; zij omvat een voorzitter, een afgevaardigde van de Minister, een geneesheer en twee leden gekozen uit een dubbele naamlijst, opgemaakt door iedere door de Minister erkende groepering van gedeporteerden, werkweigeraars en burgerlijke slachtoffers. Een Staats-Commissaris brengt verslag uit bij de commissie.

De voorzitter is een effectief, emeritus- of eremagistraat bij het Hof van Cassatie of bij een hof van beroep. Plaatsvervangende leden kunnen benoemd worden.

Wet 16 juni 1998 (uitwerking 1 september 1998)

Inrichting en werkwijze van de Hogere Commissie van beroep worden bij koninklijk besluit geregeld.

Wet van 15 maart 1954

§ 3.

De Staatscommissaris die het dossier in beroep onderzoekt kan een deskundig onderzoek aan de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst vragen, en moet zulks vragen :

1° Wanneer de graad van invaliditeit wordt betwist of niet vroeger was vastgesteld;

2° Wanneer de betwisting slaat op de medisch aanvaardbare oorzaken van het overlijden of op het medisch oorzakelijk verband tussen de oorlogshandeling en het overlijden.

De Hogere Commissie van beroep beschikt over alle macht van onderzoek en doet in laatste aanleg uitspraak bij een met rederen omkleed beslissing.

Wet van 24 april 1957

§ 4.

De Burgerlijke invaliditeitscommissie of de Hogere Commissie van beroep, oordelen souverein of de schade te wijten is aan een oorlogshandeling. Is het overlijden achter het gevolg van een reeds krachtens deze wet vergoed lichaamsgebrek, dan blijft de bevoegdheid van voormelde overheden, wat deze souvereine beoordeling betreft, beperkt tot het vaststellen van het vereiste oorzakelijk verband tussen het overlijden en het lichaamsgebrek.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 22 bis.

Aanvragen door belanghebbende ingediend op grond van latere wetten dan deze wet en strekkende tot herziening van uitvoerbare beslissing niet in overeenstemming met de wijzigingen waarin bij die wetten voorzien, moeten bij een ter post aangetekende brief worden gericht aan de Minister tot wiens bevoegdheid de behartiging van de belangen van de oorlogsslachtoffers behoort; de beslissingen worden genomen door de overheden bevoegd krachtens de artikelen 20,21, en 22 van deze wet, onverminderd de toepassing van de bepalingen die andere overheden bevoegd maken.

Wet van 28 mei 1975

Artikel 23.

Beroep tot nietigverklaring van de beslissingen der Hogere Commissie van beroep staat voor de partijen, zowel voor de Staat als voor de oorspronkelijk verzoekers, open bij de afdeling Administratie van de Raad van State, overeenkomstig artikel 9 van de wet van 23 december 1946.

Wordt de vernietiging uitgesproken, dan wordt de zaak verwezen naar de anders samegestelde Hogere Commissie van Beroep. Deze voegt zich naar het arrest van de Raad van State, wat het door hem gewezen rechtpunt betreft.

Wet van 15 maart 1954

SECTIE 3. - Herziening der Pensioenen.

Artikel 24.

§ 1.

Het slachtoffer kan te allen tijde een aanvraag om herziening indienen op grond van normale verergering , van verwikkeling of van naverschijnselen van lichaamsgebreken waarvoor een pensioen werd toegekend.

§ 2.

Onder dezelfde voorwaarden kunnen de herziening van hun geval aanvragen:

Wet van 15 maart 1954

1°Zij die afgewezen werden omdat de invaliditeitsgraad onvoldoende was om een aanspraak op pensioen te rechtvaardigen of omdat het vastgestelde lichaamsgebrek, erkend a1s te wijten aan het schadelijk feit, geen inva1iditeit tot gevolg had.

Wet van 24 april 1957

2°- zij die het genot van een tijdelijk pensioen hebben verloren omdat de invaliditeitsgraad niet meer het vereiste minimum bereikte.

§ 3.

De aanvrager van de herziening wordt medisch alleen onderzocht op de kwalen of lichaamsgebreken te wijten aan het schadelijk feit waarvoor hij de herziening uitdrukkelijk aangevraagd heeft.

Wet van 3 augustus 1988

§ 4.

Het invaliditeitspercentage wordt niet herzien tenzij uit het geneeskundig onderzoek blijkt dat de invaliditeit minstens 5 pct. meer bedraagt dan het voorheen erkende totale invaliditeitspercentage, behouden wanneer het er om gaat het invaliditeitspercentage op 10 te brengen.

Wet van 28 mei 1975) ( 20 )

In geval van vermindering van het totale invaliditeitspercentage blijft het pensioen vastgesteld op het tota1e inva1iditeitspercentage erkend op de datum van de indiening van de herzieningsaanvraag. Wanneer een stijgende of dalende invaliditeitsschaal wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 11, vierde lid, wordt het invaliditeitspercentage enkel herzien over de periodes waarin die schaal minstens 5 pct. invaliditeit meer bedraagt dan het voorheen erkende totale invaliditeitspercentage; over de andere periodes blijft dat totale percentage onveranderd.

Deze § 4 is van toepassing, met uitwerking op de eerste dag van de maand van hun indiening, op de aanvragen om herziening wegens verergering waarover op 1 apri1 1969 nog niet definitief uitspraak was gedaan.

Wet van 6 februari 1970 + Wet van 23 december 1970 + Wet van 28 mei 1975 ( 21 )

§ 5.- Voor de toepassing van vorenstaande §§ 3 en 4, wordt het nieuw invaliditeitspercentage brekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 en het wordt eventueel afgerond op het onmiddellijk hogere veelvoud van 5, overeenkomstig artike1 6, § 1, of artikel 7, § 2.

De procedure is die welke bepaald is in artikel 20, §§ 3 en 4.

Wet van 6 juli 1964

Artikel 25.

De aanvragen om herziening moeten worden ingediend bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de Minister tot wiens bevoegdheid de belangen van de burgerlijke oorlogss1achtoffers behoren, waarbij op straffe van nietigheid is gevoegd een omstandig geneeskundig attest, dat de aard van de ingeroepen verergering, verwikkeling of naverschijnse1en uiteenzet.

De aanvrage om herziening heeft uitwerking de eerste dag der maand tijdens welke zij is ingediend.

Wet van 15 maart 1954 ( 22 )

Artikel 25 bis.

Wanneer in de invaliditeitsschaal bedoeld in artikel 7, § 1, wijzigingen worden aangebracht, worden de uitvoerbare beslissingen die niet in overeenstemming zijn met die wijzigingen herzien, hetzijn op initiatief van de Minister tot wiens bevoegdheid de behartiging van de belangen van de oorlogsslachtoffers behoort, hetzij op aanvraag van de belanghebbende, ingediend binnen de drie maand te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de wijziging.

Wet van 15 juni 1967 + Wet van 15 juli 1976) ( 22bis )

De herzieningsbeslissing wordt getroffen door de Minister, zonder tussenkomst van de invaliditeitscommissies. Zij heeft uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal dat vo1gt op datgene tijdens hetwelk de wijziging werd bekendgemaakt.

Er wordt evenwe1 niet tot herziening overgegaan, indien deze een vermindering van het vroeger toegekend inva1iditeitspercentage tot gevolg zou hebben.

Wet van 15 juni 1967

Artikel 26.

De uitvoerbare bes1issingen, genomen door de Minister krachtens de artikelen 20 en 24 van deze wet, evenals de bes1issingen, genomen door de bij artike1en 21 en 22 derzelfde wet bepaa1de commissies, zijn voor herziening vatbaar, hetzij wegens dwaling omtrent het feit of het recht, of vergissing in de toepassing van de wet, hetzij ingevolge overlegging van nieuwe gegevens die een herziening rechtvaardigen.

De herziening geschiedt hetzij op initiatief van de bevoegde Minister, hetzij op verzoek van de belanghebbende, aan de Minister betekend bij een ter post aangetekende brief. Behalve wanneer zij gegrond is op de over1egging van nieuwe gegevens, moet de herziening, op straffe van verval, uitgelokt worden binnen een termijn van tien jaar, te rekenen van de dag waarop de beslissing uitvoerbaar is geworden.

Wanneer de herziening geschiedt op initiatief van de Minister, kan deze laatste bevelen dat de uitbetaling van de krachtens deze wet verleende pensioenen, verhogingen en uitkeringen geheel of gedee1te1ijk zal worden geschorst.

Over de ter herziening voorgelegde geva11en wordt uitspraak gedaan door de burger1ijke invaliditeitscommissies, wat betreft de beslissingen die zij genomen hebben of die krachtens de artikelen 20 en 24 door de Minister genomen werden, en door de Hogere Commissie van Beroep, wat betreft de door haar genomen beslissingen.

Tegen de beslissing van de burger1ijke invaliditeitscommissie kan beroep aangetekend worden vóór de Hogere Commissie van Beroep.

De herziening heeft uitwerking de eerste dag van de maand tijdens welke de aanvraag om herziening werd ingediend. Zij kan echter, op een met redenen omklede beslissing, terugwerkende kracht hebben tot een vroegere datum :

1°- in geval van dwa1ing vanwege het Bestuur;

2°- in geval van bedrieglijke handelingen of van valse of willens en wetens onvolledige verklaringen vanwege de gerechtigden.

De aan verzoekers ten onrechte uitgekeerde sommen zijn slechts terugvorderbaar in de onder 2° hierboven vermelde gevallen.

Indien de dwaling in een beslissing wordt vastgesteld vooraleer het Rekenhof het pensioen of de eventuele verhogingen heeft goedgekeurd en indien de herziening de belanghebbenden in hun rechten niet kan verkorten, wordt door de Minister over de verkeerde beslissing heen geschreven of wordt zij door hem gewijzigd, zonder meer, met uitwerking op de dag van de uitspraak.

Wet van 15 maart 1954

SECTIE 4.- Hervatting van het geding.

Artikel 27.

Het overlijden van verzoeker stuit de procedure. De hervatting van het geding geschiedt door kennisgeving van het overlijden, die op straffe van verval binnen twaalf maanden te rekenen van het overlijden van verzoeker moet worden gedaan, behoudens geval van overmacht ter beoordeling van de bevoegde commissie. Van het overlijden moet bij een ter post aangetekende brief aan de Minister tot wiens bevoegdheid de belangen van de oorlogsslachtoffers behoren, kennis worden gegeven door de meest gerede erfgenaam of door al wie kan beweren enig belang te hebben bij de nalatenschap van de overledene, met uitsluiting van de schuldeisers.

Wet van 15 maart 1954

HOOFDSTUK V.- Gronden van uitsluiting, verval en opschorting.

Artikel 28.

Voor deze wet komen niet in aanmerking :

1° zie die het voorwerp zijn geweest van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, uitgesproken bij toepassing van de besluitwet van 10 november 1945 tot vereenvoudiging der procedure in sommige gevallen van misdrijf tegen de uitwendige veiligheid van de Staat, of die het voorwerp zijn geweest van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens inbreuk op:

-het bepaalde in titel I van boek II van het wetboek van Strafrecht betreffende de misdaden en wanbedrijven tegen de veiligheid van de Staat, en op de artikelen 17 en 18 van de wet van 27 mei 1870 houdende Krijgsstrafwetboek;

- het bepaalde in de besluitwet van 10 januari 1941 inzake de door de vijand genomen maatregelen houdende ontheffing uit het bezit;

- het bepaalde in de besluitwet van 10 april 1941 betreffende het verbod van economische betrekkingen met de vijand.

2° zij die van rechtswege van de Belgische nationaliteit vervallen zijn verklaard, hetzij bij toepassing van de artikelen l8bis en l8ter van de samengeordende wetten op de nationaliteit, hetzij hij toepassing van de besluitwet van 20 juni 1945 betreffende het verval van de Belgische nationaliteit.

Wet van 15 maart 1954

3° Zij die ontzet zijn van de rechten bepaald in artikel 123 sexies van het Wetboek van Strafrecht, krachtens de wetsbepalingen betreffende de epuratie inzake burgertrouw, gedurende de tijd der ontzetting.

Wet van 24 april 1957

4° De personen die vrijwillie voor de vijand hebben gewerkt, wanneer de oorlogshandeling, oorzaak van de schade zich heeft voorgedaan tijdens hun vrijwilligerschap.

De personen die vóór 6 oktober 1942 in Duitsland of in door de vijand bezette landen, België en Noord-Frnnkrijk uitgezonderd, zijn tewerkgesteld geweest, worden, behoudens tegenbewijs, vermoed er vrijwillig te hebben gewerkt.

Hetzelfde geldt voor hen die zonder tot de militielichtigen 1920 tot 1924 te behoren, na 6 september 1943 in Duitsland werden tewerkgesteld, behalve indien zij door de vijand werden aangehouden om gedeporteerd te worden.

Het bepaalde in de vorige twee leden is niet van toepassing op de inwoners van het gedeelte van België die met geweld aan de Duitse wetgeving werd onderworpen en die bij toepassing van dle wetgeving werden tewerkgesteld.

Wet van 15 maart 1954

Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de personen die op het ogenblik van hun verbintenis de leeftijd van l8 jaar niet bereikt hadden.

Wet van 27 mei 1969

5°- De rechthebbenden wier pensioenaanvraag gesteund is on het overlijden van personen die zelf in het 1°, 2° en 3° van dit artikel worden bedoeld.

Wet van 15 maart 195

Artikel 28bis.

§ 1.

De uitsluiting bedoeld in artikel 28, 1°, geldt niet voor hen die gedurende de oorlog 1940-1945 werkelijk gevestigd waren in het gedeelte van het Belgisch grondgebied, omschreven in artikel 1 van de wet van 27 juli 1953 tot bepaling van de gevolgen van de toepassing der Duitse wet in dat gedeelte van het grondGebied, als zij niet een of meer vrijheidsstraffen met een totale duur van meer dan vijf jaar hebben opgelopen.

Voor het berekenen van die duur wordt geen rekening gehouden met de vrijheidsstraf, opgelopen wegens overtreden van het bepaalde in de besluitwet van 10 apri1 1941 betreffende het verbod van economische betrekkingen met de vijand.

§ 2.

Paragraaf 1 is niet van toepassing op hen tegen wie een in kracht van gewijsde gegane veroordeling is uitgesproken wegens vrijwillige toetreding tot de Wehrmacht of tot een Duitse para-militaire formatie.

§ 3.

De uitsluiting bedoeld in artikel 28,2° geldt niet voor hen die gedurende de oorlog 1940-1945 werkelijk gevestigd waren in het gedeelte van het Belgisch grondgebied, omschreven in § 1, als zij het genot van herstel maatregelen hebben gehad op grond van de wet van 30 maart 1962.

§ 4.

Wanneer de in artikel 28,5°, bedoelde uitsluiting rechthebbenden van personen betreft, die tijdens de oorlog 1940-1945 hun werkelijke woonplaats hadden in het gedeelte van het Belgische grondgebied bedoeld in § 1, is zij slechts toepasselijk in geval de aanvraag gesteund is op het overlijden van een persoon die zelf in § 2 bedoeld wordt.

Wet van 21 november 1974

Artikel 29.

Van het recht op pensioen zijn vervallen:

a) zij die de Belgische nationaliteit verliezen;

b) de overlevende echtgenoot of de bloedverwant in de opgaande linie die van de ouderlijke macht zijn vervallen.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 30.

De belanghebbende die wegens misdaad of wanbedrijf tot een vrijheidsstraf werd veroordeeld, kan geen aanspraak maken op pensioen en is vervallen van het genot van het pensioen alsmede van de er aan verbonden vergoedingen en verhogingen :

a) voor een duur gelijk aan die van de straf, wanneer deze twee jaar of meer beloopt ;

b) twee jaar lang, wanneer de straf van korter duur is, indien belanghebbende in staat van wettelijke herhaling verkeerde;

c) zolang de belanghebbende, die veroordeeld is geworden, in het buitenland verblijft.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 31.

De toekenning en de uitbetaling van het pensioen worden in beraad gehouden wanneer de belanghebbende, wegens misdaden of wanbedrijven gerechtelijk vervolgd,in het buitenland verblijft.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 32.

De bevoegde commissies kunnen bij een met redenen omklede beslissing het recht op pensioen aan de slachtoffers en rechthebbenden weigeren of het hun onttrekken:

Wet van 15 maart 1954 + Wet van 24 april 1957) ( 23 )

1°- wanneer de slachtoffers of de rechthebbenden de afkeuring verdiend hebben door daden van incivisme tijdens de bezetting. Het voordeel van het pensioen kan evenwel niet geweigerd of onttrokken worden wanneer deze daden van incivisme aanleiding hebben gegeven tot rechtsvervolgingen en die op vrijspraak, sepositie of buitenvervolgingstelling geëindigd zijn.

Wet van 24 april 1957

2°- wanneer de persoon, wiens overlijden aanleiding tot de pensioenaanvraag is geweest, daden heeft verricht:

a) die hem in één van de eerste drie categorieën in artikel 28 bedoeld zouden hebben geplaatst, indien de publieke vordering niet door het overlijden was vervallen;

Wet van 25 maart 1954

b) ........ ( 24 )

3°- wanneer de rechthebbenden het recht op pensioen onwaardig worden geacht wegens hun houding ten opzichte van de overledene tijdens zijn leven, of wegens een grove belediging tegen zijn nagedachtenis.

Wanneer de Commissie een pensioen intrekt, bepaalt zij op welke datum de intrekking van het pensioen een aanvang neemt.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 32 bis.

De artikelen 28 en 32, 1° en 2°, zijn niet van toepassing op de personen bedoeld in artikel 1, § 5 bis.

Wet van 23 december 1970

Artikel 32 ter.

Het 1° en 2° artikel 32 zijn niet toepasselijk op de personen die tijdens de oorlog 1940-1945 hun werkelijke woonplaats hadden in het gedee1te van het Belgisch grondgebied bepaald in artikel 28 bis, § 1.

Nochtans wanneer de persoon, op wiens overlijden de pensioenaanvraag wordt gesteund, daden heeft gepleegd waardoor die persoon in de in § 2°, van artikel 28bis bedoelde categorie beplaatst zou zijn geweest indien de publieke vordering niet door het overlijden was vervallen, blijft artikel 32, 2° a, toepasselijk.

Wet van 21 november 1974

HOOFDSTUK VI.- Diverse bepalingen.

Artikel 33.

Wanneer de rechten op herstelling van zodanige schade als in artikel 4 van de tegenwoordige wet bedoeld, gegrond schijnen, kan de Minister tot wiens bevoegdheid de belangen der oorlogsslachtoffers behoren, bij voorkomend geval na deskundig onderzoek door de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst, aan verzoeker een voorschot doen uitbetalen, dat gelijk is aan het bedrag van het pensioen. Dit voorschot kan niet worden uitbetaald of wordt opgeschort, ingeval het aan de nalatigheid van de belanghebbenden te wijten is dat de uitspraak van de beslissing, bepaald in het eerste lid van artikel 4 van deze wet, werd verdaagd.

De gezamenlijke aldus uitbetaalde voorschotten worden op de eventuele pensioenachterstallen in mindering gebracht. Zij zijn niet terug vorderbaar, tenzij in geval van bedrog vanwege verzoeker, dat door de afwijzende eindbeslissing van de bevoegde Commissie is vastgesteld.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 34.

De pensioenen, uitkeringen, vergoedingen en verhogingen, krachtens deze wet verleend, zijn persoonlijk en levenslang. Zij kunnen niet afgestaan worden.

Zij zijn niet vatbaar voor beslag of afhouding behalve in de volgende mate en in de hiernavermelde omstandigheden :

a) tot beloop van een vijfde, in geval van schuld tegenover de Staat;

b) tot beloop van twee derde, als afhouding van onderhoudskosten van personen opgenomen in een godshuis of een hospitaal, in een krankzinnigengesticht of kolonie, in een toevluchtshuis of een bedelaarsgesticht, in een inrichting voor bescherming der maatschappij of in enige andere weldadigheidsinstelling, wanneer de onderhoudskosten ten laste van openbare besturen komen;

c) tot beloop van een derde wegens wettelijke uitkering tot levensonderhoud;

d) tot beloop van een derde ten einde te voorzien in de uitvoering van de overeenkomsten gesloten met het Nationaal Werk voor Oorlogsinvaliden, overeenkomstig de wet van 30 juni 1951 betreffende het toestaan van leningen aan de heneficianten van het Nationaal Werk voor oorlogsinvaliden, van het National Werk van de wezen, weduwen en bloedverwanten in de opgaande linie van de oorlogsslachtoffers en van het Nationaal Werk voor oudstrijders, weggevoerden en politieke gevangenen.

In geval van samenloop van verschillende afhoudingen bij dit artikel toegelaten, worden zij evenredig verminderd met inachtneming van de daarin bepaalde maxima en bedragen.

In geen geval mag het totaal der afhoudingen twee derde van de pensioenen, vergoedingen en verhogineen, te boven gaan.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 34bis.

Het uitzondering van de vergoedingen toegekend krachtens art.6, § 4 en artikel 14, § 1, worden de pensioenen, verhogingen van pensioenen en vergoedingen, toegekend krachtens deze wet, gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk, overeenkomstig de regelen bepaald bij de wet van 12 april 1960 tot eenmaking van de verschillende stelsels van koppeling aan het indexcijfer der kleinhandelsprijzen. Zij worden aan het indexcijfer 110 gekoppeld.

Wet van 6 juli 1964

De pensioenen, verhoogde pensioenen en vergoedingen gekoppeld aan dat indexcijfer, afgerond op het onmiddellijk lagere veelvoud van vier na weglating van de frankgedeelten, vormen de "enige bedragen".

Deze worden vastgesteld bij koninklijk besluit.

Alleen die bedragen komen in aanmerking voor het houden van het Grootboek der pensioenen. De boeken gehouden door het Rekenhof en de Nationale Kas voor oorlogspensioenen, worden bij wijziging van de enige bedragen ambtshalve herzien, onverminderd de toepassing van de bepalingen die andere herzieningsprocedures voorschrijven.

De enige bedragen zoals die voortvloeien uit de schommelingen van het indexcijfer, worden afgerond tot volle franken op het onmiddellijk lagere veelvoud van vier.

Wet van 23 december 1970

Artikel 35.

§ 1.

De uitvoerbare beslissingen en de dadingen nopens aanvragen ingediend onder de gelding van de vroegere wetsbepalingen en tot stand gekomen vóór 1 januari 1954, worden overeenkomstig deze wet herzien:

a) ambtshalve, indien het een beslissing of dading betreft waarbij een pensioen werd toegekend dat op 1 januari 1954 nog liep, doch met dien verstande dat wanneer het een invaliditeitspensioen betreft hierbij dan enkel rekening wordt gehouden met de lichaamsgebreken waarvoor het pensioen werd verleend;

b) op aanvraag van de betrokkene, ingediend binnen de termijnen bepaald in artikel 18, in de andere gevallen.

Wet van 15 juni 1967

De Koning regelt de procedure tot herziening; de herziening heeft uitwerking met ingang van de inwerkingtreding van deze wet.

Voor zover de vertraging in de herziening van het pensioen niet te wijten is aan een aan de belanghebbende toe te schrijven oorzaak, kan de Minister bevelen dat de vóór de inwerkingtreding van deze wet toegekende pensioenen, vergoedingen en verhogingen, geheel of gedeeltelijk verder als voorschot worden uitbetaald.

De aldus uitbetaalde voorschotten komen in mindering van het bedrag van de pensioenen, verhogingen en vergoedingen, zoals deze eventueel bij de herziening zullen worden bepaald. In geval deze voorschotten niet afgetrokken kunnen worden omdat zij groter zijn dan het nieuw bedrag van het pensioen, of omdat dit laatste werd afgeschaft, zijn zij niet terugvorderbaar, tenzij in geval van bedrog van verzoeker, dat door de Hogere Commissie van beroep is vastgesteld.

De uitvoerbare beslissingen tot toekenning en de dadingen bedoeld bij deze paragraaf, eerste lid, worden geldig verklaard tot de inwerkingtreding van deze wet.

§ 2.

Over aanvragen die vóór het in werking treden van deze wet werden ingediend en die niet het voorwerp van uitvoerbare beslissingen zijn geweest, wordt uitspraak gedaan overeenkomstig deze wet.

Nochtans, voor de periode welke het in werking treden van deze wet voorafgaat :

1°- wordt het bedrag van de pensioenen, alsmede de verschillende verhogingen, toeslagen en vergoedingen die er toe behoren, berekend overeenkomstig de vroegere wettelijke bepalingen.

Wet van 15 maart 1954

Het jaarlijks bedrag van de vergoedingen bedoeld in artikel 14, § 1, evenals dat van het pensioen bedoeld in artikel 14, § 2, welke de wezen kunnen genieten, wordt evenwel vastgesteld als volgt:

  • voor de periode die aan 30 juni 1949 voorafgaat 1.620 fr.
  • voor de periode van 1 juli 1949 tot 30 september 1952 8.400 fr.
  • voor de periode van 1 oktober 1952 tot 31 december 1953 10.200 fr.

Betreft het vergoedingen als bedoeld in artikel 14, § 1, dan zijn enkel de in die bepalingen vastgestelde verminderingen van toepassing.

Wet van 24 april 1957

2°- blijft het tweede lid van het eerste artikel van de door het koninklijk besluit van 19 augustus 1921 samengeordende wetten op het herstel te verlenen aan de burgerlijke oorlogsslachtoffers van toepassing.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 36.

De bij deze wet bepaalde pensioenen, uitkeringen en vergoedingen wegens invaliditeit en als rechthebbenden zijn gelijkgesteld met de pensioenen bedoeld bij artikel 29, § 4,2°, van de samengeordende wetten op de inkomstenbelastingen ; zij zijn vrijgesteld van directe belastin- gen en van alle soortgelijke belastingen en mogen niet medegeteld worden voor de berekening van de aanvullende personele belasting.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 37.

Hun leven lang ontvangen degenen die krachtens deze wet wegens invaliditeit zijn gepensionneerd, kosteloos van het Nationaal Werk voor oorlogsinvaliden alle prothese- en andere toestellen welke hun lichaamsgebrek vereist.

Wet van 15 maart 1954

Deze bepaling is nog slechts van toepassing op de begunstigden van de wet van 13 juli 1951 betreffende de herstelling van de schade veroorzaakt door de op 29 april 1942 voorgekomen ontploffing te Tessenderlo.

Wet van 1 juli 1969

Artikel 38.

[ ...] opgeheven bij K.B. 14 september 1992

Artikel 39.

De Minister tot wiens bevoegdheid de belangen der burgerlijke oorlogsslachtoffers behoren, kan de hem bij deze wet toegekende macht op zijn verantwoordelijkheid en onder zijn toezicht, overdragen aan een of verschillende ambtenaren die tot zijn ministerie behoren.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 40.

De Hoofdstaatscommissarissen en de Staatscommissarissen belast met de toepassing van de wet van 26 februari 1947 tot inrichting van het statuut der politieke gevangenen, de wet van 5 februari 1947 tot inrichting van het statuut der vreemdelingen-politieke gevangenen, de besluitwet van 24 december 1946 tot inrichting van het statuut der burgerlijke weerstanders en werkweigeraars, de besluitwet van 24 december 1946 tot inrichting van het statuut der weggevoerden tot de verplichte tewerkstelling, de wet van 1 september 1948, houdende inrichting van het statuut der weerstanders door de sluikpers, en de tegenwoordige wet, hebben dezelfde bevoegdheid als die welke de wet van 19 augustus 1947, betreffende het bewijs door getuigen in zake uit de oorlog van 1940 voortspruitende schade aan personen verleent aan elk organisme dat opgericht werd met het oog op de vaststelling, de schatting of de vergoeding van de schade die tengevolge van de oorlog van 1940 aan de personen werd toegebracht.

In de uitoefening van hun ambt hebben zij de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.

Wet van 15 maart 1954

Artikel 41.

Deze wet treedt in werking op 1 januari 1954.

Wet van 15 maart 1954

Tenzij de wet het anders bepaalt worden de voorwaarden vereist van de burgerlijke slachtoffers of van hun rechthebbenden beoordeeld op de data vastgesteld in de artikelen 11 en 17 van de wet of op de 1 januari 1954 in de gevallen waarin artikel 35, § 1 van toepassing is.

Wet van 24 april 1957

HOOFDSTUK VII.- Overgangsbepalingen.

Artikel 42.

De laatste volzin van artikel 3 der wet van 1 juni 1949, tot toekenning van een wachtvergoeding op pensioen aan de burgerlijke invaliden van beide oorlogen alsmede aan de weduwen en wezen der burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945, wordt door de navolgende tekst vervangen:

[De Franse tekst is als volgt gesteld: "Article 42. La dernière phrase de l'article 3 de la loi du 1er juin 1949, accordant une indemnité d'attente sur pension aux invalides civils des deux guerres ainsi qu'aux veuves et orphelins des victimes civiles de la guerre 1940-1945, est remplacée par le texte qui suit, AVEC EFFET AU 1er JUILLET 1949 :" ]

"Worden, volgens de hierna bepaalde regels, op deze vergoeding in mindering gebracht, de kindertoeslagen ontvangen, hetzij krachtens de wetgeving betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders of de gezinsvergoedingen voor zelfstandige arbeiders, hetzij krachtens de wetgeving betreffende de onvrijwillige werklozen."

"Wanneer het de kindertoeslagen betreft, vastgesteld bij de artikelen 50bis en 56bis der samengeordende wetten betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders, worden de verminderingen berekend naar de achtereenvolgens geldende wettelijke schalen."

"Wanneer het de kindertoeslagen betreft, vastgesteld bij de artikelen 40, 42 en 56 der samengeordende wetten betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders of door de wetgeving betreffende de gezinsvergoedingen voor zelfstandige arbeiders, en die welke vastgesteld werden voor de onvrijwillige werklozen, worden de afhoudingen gedaan op grondslag van de toeslagen, die aan het rechthebbende kind werden verleend, hetzij op 1 juli 1949, hetzij op de datum waarop het voor de eerste maal zijn toeslag als wees van een oorlogsslachtoffer ontvangt, indien deze ingenottreding valt na 1 juli 1949, met toepassing evenwel van de achtereenvolgens geldende wettelijke schalen."

"De afhoudingen blijven op die grondslag vastgesteld, behalve op aanvraag van de verkrijgers der kindertoeslagen, wanneer bewezen wordt dat een wijziging, die zich in de toestand van de rechthebbende kinderen heeft voorgedaan, een vermindering van de in het vorig lid vastgestelde afhoudingen tot gevolg moet hebben."

"Die vermindering wordt toegepast van de datum af, waarop de wijziging zich heeft voorgedaan."

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel bekleed en door het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worde.

Gegeven te Brussel, 15 Maart 1954.

BAUDOUIN.

Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid en van het Gezin,
A. DE TAEYE.

Gezien en met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
du BUS de WARNAFFE.

 


Copyright © 2008 Belgische Federale Overheidsdiensten | Disclaimer