Banner warvictims.fgov.be

Wetteksten


7 JULI 1953 - Wet houdende inrichting van het statuut der gedeporteerden tot de verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945 en intrekking van de besluitwet van 24 December 1946.

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
Aan allen, tegenwoordigen en toekomenden, HEIL.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I.- Gedeporteerden voor verplichte tewerkstelling.

Artikel 1.

Deze wet is van toepassing op de personen van Belgische nationaliteit die, zonder op geregelde tijdstippen huiswaarts te hebben kunnen keren, onder de hierna gestelde voorwaarden door de vijand of door zijn handlangers tidens de oorlog 1940-1945 in Duitsland of in een door Duitsland bezet land, met uitzondering van België, verplicht tewerkgesteld werden.

Artikel 2.

Onverminderd de bepalingen van artikel 1 van deze wet, wordt de hoedanigheid van gedeporteerde toegekend aan de personen die tewerkgesteld werden:

Hetzij ingevolge hun aanhouding door de vijand of door zijn handlangers;

Hetzij nadat zij ter uitvoering van de Duitse verordeningen van 6 Maart en 6 Octobor 1942 vóór de diensten voor tewerkstelling waren verschenen;

Hetzij in uitvoering van de Duitse verordeningen betreffende het dekken der noodwendigheden in zake werkkrachten voor werken van bijzonder Staatsbelang, welke van kracht waren in het gedeelte van het Belgisch grondgebied dat met geweld aan de Duitse wetgeving onder de vijandige bezetting onderworpen werd.

Art. 3.

De in het artikel 1 genoemde personen moeten de staat van Belg bezitten op het ogenblik van hun aanhouding of van hun vertrek naar het buitenland; zij moeten die staat eveneens bezitten op het ogenblik dat zij de aanvraag indienen om voor deze wet in aanmerking te komen of op het ogenblik van hun overlijden in het geval waarvan sprake in artikel 2 van de wet van 9 Juli 1951 betreffende de indiening der aanvragen om het genot van verschillende statuten en houdende regeling van de posthume erkenning.

Art. 4.

Van de toepassing van deze wet zijn uitgesloten zij die vrijwillig voor de vijand hebben gewerkt, wanneer zij op het ogenblik van hun verbintenis de leeftijd van 18 jaar bereikt of overschreden hadden.

Worden geacht vrijwillig voor de vijand gewerkt te hebben, behoudens tegenbewijs, hetwelk door alle rechtsmiddelen kan geleverd worden, zij die vóór 6 October 1942 in Duitsland of in een door Duitsland bezet land, met uitzondering van België of Noord-Frankrijk, tewerkgesteld waren.

Met uitzondering van hen die door de vijand aangehouden werden, geldt dit ook voor hen die niet behoren tot klassen 1920 tot en met 1924 en na 6 September 1943 in Duitsland tewerkgesteld werden.

De bepaling der twee voorgaande leden zijn niet van toepassing op de inwoners van het met geweld aan de Duitse wetgeving onderworpen gedeelte van België, die tewerkgesteld werden ter uitvoering van die wetgeving.

Art. 5.

Van de toepassing van deze wet kunnen uitgesloten worden:

1° Zij die tot een criminele of een correctionele straf van ten minste twee jaar zijn veroordeeld, voor zover het misdrijf na 10 mei 1940 is gepleegd ;

2° Zij die zich aan een tekortkoming hebben schuldig gemaakt, door het verrichten van daden, ten nadele van hun metgezellen of van de Belgische gemeenschap.

HOOFDSTUK II. - Rechten en voordelen der gedeporteerden voor verplichte tewerkstelling.

Art. 6.

Een kaart van gedeporteerde voor verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945 wordt ingesteld.

Art. 7.

De gedeporteerden voor verplichte tewerkstelling kunnen vakopleiding op kosten van de Staat krijgen, onder de voorwaarden bepaald bij hoofdstuk III van het Regentsbesluit van 26 Mei 1945, betreffende de inrichting van het Voorlopig Steunfonds voor onvrijwillige werklozen.

Die opleiding heeft tot doel hun een vak aan te leren indien zij er geen uitoefenen of hen aan hun eigen vak weder aan te passen of hun andere vakken dan het hunne aan te leren.

De premiën en steun kunnen provisioneel verleend worden aan hen die een aanvraag tot erkenning als gedeporteerde hebben ingediend.

De provisioneel verleende steun en premiën moeten aan de Staat slechts terugbetaald worden, ingeval de aanvraag wegens valse verklaringen van de betrokkene wordt verworpen.

Art. 8.

De gedeporteerden voor de verplichte tewerkstelling kunnen hun rechten op het pensioen voor burgerlijke oorlogsslachtoffers doen gelden volgens de modaliteiten bij de wetgeving inzake de pensioenen voor de burgerlijke oorlogsslachtoffers 1940-1945 bepaald.

HOOFDSTUK III.- Rechtspleging.

Art. 9.

Controlecommissies, waarvan het getal door de Koning wordt vastgesteld, en een commissie van beroep zijn gelast:

1° Na te gaan of de vereiste voorwaarden voor het erkennen van de hoedanigheid van gedeporteerde voor verplichte tewerkstelling voorhanden zijn;
2° Vast te stellen hoe lang de betrokkenen verplicht tewerkgesteld zijn geweest, volgens de betekenis van deze wet.

De Koning benoemt de leden van die commissies, welke bestaan uit een effectief, plaatsvervangend of eremagistraat en vier leden, van wie twee op voordracht van de door de Koning erkende verenigingen van gedeporteerden voor verplichte tewerkstelling.

De Koning regelt de territoriale bevoegdheid der commissies en de rechtspleging van die commissies.

Art. 10.

De aanvragen worden in het Nederlands of in het Frans gesteld. De personen die hun woonplaats hebben in de gemeenten met Duits taalstelsel van de kantons Eupen, Malmédy en Sankt-Vith kunnen hun aanvraag in het Duits stellen.

Art. 11.

Het onderzoek van de aanvragen ingediend door hen tegen wie rechtsvervolgingen zijn ingesteld wegens misdrijven gepleegd na 10 mei 1940 welke een criminele of een correctionele straf tot gevolg kunnen hebben, wordt opgeschorst tot na een in kracht van gewijsde gegane beslissing.

HOOFDSTUK IV. - Voordelen gegrond op een beginsel van nationale erkentelijkheid.

Art.12.

Het genot van de bepalingen van artikel 12 der dienstplichtwet van 15 Juli 1951, van de wetten van 3 augustus 1919 en 27 Mei 1947 betreffende de prioriteitsrechten bij het begeven van openbare betrekkingen, van de wet van 28 Juli 1948 waarbij gelast wordt de vermelding "Stierf voor België" op de kant van sommige overlijdensakten te schrijven en van de tussenkomsten van het Nationaal Werk voor Oudstrijders, wordt toegekend aan de personen die van deze wet genieten en die verplicht tewerkgesteld werden:

1° Ingevolge hun aanhouding door de vijand of door zijn handlangers en voor zover zij niet worden aangehouden wegens een gemeenrechtelijk misdrijf;

2° Ter uitvoering van een formeel en schriftelijk bevel van de vijand of zijn handlangers waarbij de datum van hun vertrek voor verplichte tewerkstelling wordt vastgesteld;

3° Na zich aan de vijand of zijn handlangers overgegeven te hebben wegens de aanhouding van een familielid of wegens het feit dat zij zelf werkelijk door de vijand opgespoord werden, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan de oproepingsbrieven door de "Werbestelle" in het kader der Duitse verordeningen op de verplichte tewerkstelling aan hen gericht.

In afwijking van de bepalingen van lid 1 van dit artikel, blijft artikel 1 van de wet van 3 Augustus 1919 en 27 Mei 1947 toepasselijk op de gedoporteerden welke het genot van de huidige wet verworven, zonder evenwel te voldoen aan de voorwaarden, gesteld door bovengenoemd lid 1.

Art. 13.

Binnen de perken der begrotingskredieten welke te dien einde worden voorzien, zal een sociale bijstand van gelijke aard als die welke verleend wordt door het Nationaal Werk voor Oudstrijders, mogen toegestaan worden tot de 1 januari 1955 aan de personen die de hoedanigheid van gedeporteerde verworven hebben, zonder evenwel aanspraak te kunnen maken op het genot van lid 1 van artikel 12 der huidige wet.

Een ministerieel besluit zal de uitvoeringsmodaliteiten van deze sociale bijstand bepalen.

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.

Art. 14.

De indieningstermijn der aanvragen, die vastgesteld werd bij artikel 1, § 3, en bij artikel 2 van de wet van 9 Juli 1951 betreffende de indiening der aanvragen om het genot der statuten van de politieke gevangen en hun rechthebbenden, van de vreemdelingen politieke gevangenen, van de weerstanders door de sluikpers, van de burgerlijke weerstanders, van de werkweigeraars en van de gedeporteerden voor de verplichte arbeidsdienst tijdens de oorlog 1940-1945, en houdende regeling van de posthume erkenning van de hoedanigheid van weerstander door de sluikpers, van burgerlijke weerstander, van werkweigeraar en van gedeporteerde voor de verplichte arbeidsdienst tijdens de oorlog 1940-1945, wordt verlengd, wat betreft de gedeporteerden voor de verplichte arbeidsdienst, tot en met de laatste dag van de zesde maand volgende op die waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Die aanvragen moeten worden ingediend bij de Minister tot wiens bevoegdheid de erkenning van de gedeporteerden tot de verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945 behoort.

Art. 15.

Deze wet is van toepassing op de in behandeling zijnde aanvragen. De beslissingen getroffen ter uitvoering van de besluitwet van 24 December 1946, houdende inrichting van het statuut der gedeporteerden voor de verplichte arbeidsdienst tijdens de oorlog 1940-45 worden herzien overeenkomstig de bepalingen van deze wet, hetzij binnen een tijdperk van tien jaar, op verzoek van de bevoegde Minister, hetzij op aanvraag van de belanghebbenden, welke aanvraag, behoudens in geval van overmacht, binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet moet ingediend worden.

Art. 16.

Deze wet treedt in werking op de datum die door de Koning wordt vastgesteld.

Art. 17.

De besluitwet van 24 December 1946, houdende inrichting van het statuut der gedeporteerden voor de verplichte arbeidsdienst tijdens de oorlog 1940-1945, wordt opgeheven.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel bekleed en door het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worde.

Gegeven te Brussel, de 7 Juli 1953.

BAUDOUIN.

Van Koningswege:
De Minister van Openbare Werken en van Wederopbouw,
O. BEHOGNE.

Gezien en met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
du BUS de WARNAFFE.


Copyright © 2008 Belgische Federale Overheidsdiensten | Disclaimer