Banner warvictims.fgov.be

Wetteksten


24 DECEMBER 1946. - Besluitwet waarbij het statuut van de burgerlijke weerstanders en werkweigeraars wordt ingericht.

KAREL, Prins van België, Regent van het Koninkrijk,
Aan allen, tegenwoordigen en toekomenden, HEIL.

Gelet op de samengeordende wetten van 7 September 1939 en 14 December 1944 waarbij aan den Koning buitengewone machten werden verleend;

Gelet op de besluitwet van 19 September 1945 houdende inrichting van het statuut van den gewapenden weerstand;

Overwegende dat de burgerlijke weerstanders en werkweigeraars ten aanzien van hun houding tegenover den vijand bijzondere verdienste hebben in ons land;

Overwegende dat de besluitwet dd. 19 September 1945 houdende inrichting van het statuut van den gewapenden weerstand en dat er aanleiding bestaat dit statuut aan te vullen door wettelijke bepalingen die de rechten der burgerlijke weerstanders en weigeraars bekrachtigen;

Gezien de noodzakelijkheid en de dringendheid;

Op de voordracht van den Minister van Wederopbouw en op advies van de in Raad vergaderde Ministers, Wij hebben besloten en besluiten :

KAPITEL I. - Van de begunstigden.

Artikel 1.

Worden als burgerlijke weerstanders beschouwd, de personen van Belgische nationaliteit die handelend hebben deelgenomen aan den geheimen strijd tegen den vijand door het ontwikkelen eener activiteit die wezenlijke gevaren heeft doen ontstaan:

1° hetzij wegens daden van sabotage volbracht bij de uitoefening van hun beroep;

2° hetzij uit hoofde van opstellen, drukken, opslaan, vervoeren of gewoon verspreiden van de clandestiene pers;

3° hetzij omwille van hun medewerking bij de tot standkoming, de inrichting, de actie van werken van patriotische verbondheid, zoodoende handelend op te treden tegen de oogmerken van den vijand en zijn handlangers;

4° hetzij door den verleenden bijstand aan elkeen door den vijand opgespoord om andere redenen dan om inbreuk op het gemeen recht.

Art. 2.

Komen als werkweigeraars in aanmerking:

1° de personen van Belgische nationaliteit, op datum van 10 Mei 1940, die zich vrijwillig hebben onttrokken aan den verplichten arbeidsdienst door den vijand opgelegd;

2° de personen van Belgische nationaliteit die zich vrijwillig hebben onttrokken aan de arbeidsverplichtingen, opgelegd door den vijand of diens agenten, alsmede degenen die zich aan den verplichten arbeidsdienst door den vijand of diens handlangers hebben onttrokken, ontdekt door laatstgenoemden en gedwongen tot verplichten arbeidsdienst in Duitschland, of in een van de door Duitschland bezette gebieden;

3° de personen, die na gevolg te hebben gegeven aan hun deportatiebevel tot verplichten arbeidsdienst in Duitschland, naar België met verlof teruggekeerd, en die zich ten gevolge op dat verlof aan de arbeidsverplichtingen hebben onttrokken door den vijand op diens agenten opgelegd, worden eveneens als werkweigeraars beschouwd, op voorwaarde dat de weigering den datum van 6 Juni 1944 voorafgaat.

Art. 3.

Worden van het voorrecht van deze besluitwet uitgesloten :

1° de na 31 October 1940, voor misdaad of misdrijf ten de uiterlijke or innerlijke veiligheid van den Staat, veroordeelde personen;

2° de personen van hun politieke of burgerlijke rechten vervallen verklaard ingevolge de bepalingen der besluitwet dd. 19 September 1945 betreffende de burgerlijke epuratie. De aanvragen ingediend door personen ten laste waarvan vervolgingen zijn ingespannen wegens een der bovenvermelde punten worden geschorst tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid;

3° de personen in het buitenland veroordeeld te oorzake van een bedrijvigheid van collaboratie met den vijand;

4° de personen die vrijwillig voor den vijand hebben gewerkt.

Art. 4.

Kunnen het voorrecht van onderhavige besluitwet verliezen :

1° de personen veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar, wegens diefstal, heling, misbruik van vertrouwen, oplichterij, vervalsching, valschheid in geschrifte, valsche getuigenis, omkooping van getuigen of deskundigen, bankroet, landlooperij, bedelarij of uit hoofde van inbreuken voorzien bij titel I van boek II, alsmede bij artikelen 373 tot 382 van het Wetboek van Strafrecht, of inzake de wet van 22 Maart 1940 aangaande de verdediging der nationale instellingen, of bij de besluitwet van 10 April 1941 betreffende het verbod van economische betrekkingen met den vijand in zooverre de ten laste gelegde feiten zich hebben voorgedaan, na den datum waarop betrokkene op de hoedanigheid van burgerlijke weerstander of werkweigeraar mag aanspraak maken;

2° de personen die bijzondere afkeuring verdienen voor hun houding, hetzij omwille van daden gepleegd ten nadeele van hun medegezellen hetzij ten overstaan van onregelmatige en ontverantwoorde opeischingen, alsmede van daden begaan ten nadeele der Belgische gemeenschap.

Art. 5.

Elke opgeloopen veroordeeling ten aanzien van een der punten opgesomd bij artikelen 3 en 4, 1°, zal een reden tot uitsluiting uitmaken, en kan voor betrokkene het verlies der bij deze besluitwet voorziene rechten, na zich sleepen. Het verval zal kunnen werden uitgesproken door de rechtbank die de hoofdstraf zal toepassen.

Art. 6.

Worden, aangaande de toepassing van onderhavige besluitwet met de Belgen gelijkgesteld en als weerstanders beschouwd de vreemdelingen en de apatriden, in zooverre:

1° hun activiteit van weerstand tegen den vijand in België werd bedreven;

2° dat zij niet vatbaar wezen om van onderwerpelijke besluitwet te genieten ingevolge internationale verdragen, of van soortgelijke voordeelen door haar verleend op grond van hun nationale wetgeving.

Art. 7.

Worden wat betreft de toepassing dezer besluitwet, met de Belgen gelijkgesteld, en als werkweigeraars beschouwd, de vreemdelingen en apatriden, in zooverre:

1° dat zij in België hebben verbleven op 10 Mei 1940 en op den datum dat het bevel tot verplichten arbeidsdienst hun werd beteekend en dat zij bewijzen een bedrijvigheid tegen den vijand te hebben gevoerd;

2° dat zij niet vatbaar wezen om van onderwerpelijke besluitwet te genieten ingevolge internationale verdragen of van soorgelijke voordeelen door haar verleend op grond van hun nationale wetgeving.

Art. 8.

De personen, wien de hoedanigheid van lid van den Weerstand werd verleend krachtens de besluitwet van 19 September 1945, houdende oprichting van het statuut van den gewapende Weerstand mogen bovendien aanspraak maken op het voorrecht van deze besluitwet, wegens andere feiten dan deze waarop hun titel van gewapende weerstander is gebaseerd.

KAPITEL II. - Voorwaarden tot aanneming

Art. 9.

Om tot het voorrecht deze besluitwet te worden toegelaten, en als burgerlijke weerstanders te worden beschouwd, dienen de betrokkenen met alle rechtsmiddelen het bewijs van hun weerstandsactiviteit te leveren; een van de bestanddeelen der bewijsvoering mag inzonderheid bestaan uit het peterschap van een der erkende bewegingen van het burgerlijk verzet waarvan een koninklijk besluit de lijst zal opmaken. Dat bewijs dient overgelegd aan een, te dien einde opgerichte commissie voor contrôle, bestaande elk uit een magistraat, uit twee leden benoemd door den Koning en twee leden door den Koning benoemd op de voordracht van erkende bewegingen van den gewapenden weerstand.

Art. 10.

Om tot het voorrecht dezer besluitwet te worden toegelaten, en als werkweigeraars in aanmerking te komen, moeten de betrokkenen, met alle rechtsmiddelen een bewijsvoering voorleggen aan de ter fine opgerichte commissies voor contrôle, bestaande elk uit een magistraat, twee leden door den Koning benoemd en twee leden door den Koning benoemd op de voordracht van erkende bewegingen van de werkweigeraars, waarvan een koninklijk besluit de lijst zal opmaken :

a) dat zij door den vijand werden aangezet om militaire of gelijkgeschakelde opdrachten te vervullen, ofwel dat zij het voorwerp hebben uitgemaakt van een bevel tot verplichten arbeidsdienst;

b) dat zij zich vrijwillig aan deze verplichting hebben onttrokken.

Art. 11.

Een koninklijk besluit zal de werking der bij artikelen 9 en 10 voorziene commissies regelen, hun territoriale bevoegdheid en de wijze van behandeling vastleggen. KAPITEL III. - Van de rechten en voordeelen ten bate van de burgerlijke weerstanders en werkweigeraars.

Art. 12.

Er wordt een medalje van het burgerlijk verzet ingericht die zal worden toegekend aan de personen, waarvan de hoedanigheid voorzien bij artikel 1 van deze besluitwet zal worden erkend.

Art. 13.

Er wordt een medalje van den werkweigeraar ingericht die zal worden verleend aan de personen waarvan de hoedanigheid voorzien bij artikel 2 van onderhavige besluitwet zal worden erkend.

Art. 14.

De burgerlijke weerstanders en de werkweigeraars , alsmede hunne rechthebbenden, zullen kunnen aanspraak maken op herstelpensioenen, hun toegekend volgens de regels vastgesteld bij de wet op de herstelpensioenen.

Art. 15.

De krachtens de wetten op de maatschappeliijke zekerheid verschuldigde bijdrage, worden beschouwd als zijnde gestort door de burgerlijke weerstanders of weigeraars tijdens de periode in de omwettelijkheid doorgebracht. De uitgaven voortvloiende uit de toepasing der bepalingen worden ten laste van den Staat genomen. De bij artikels 9 en 10 voorziene commissies zullen den duur van de non-activiteitsperiode bepalen.

Art. 16.

De burgerlijke weerstanders en de werkweigeraars mogen in de beroepsleer gaan ten koste van den Staat, tegen de voorwaarden voorzien bij titel 3 van het besluit van den Regent dd. 26 Mei 1945, houdende inrichting van het Voorloopig Fonds tot Steun aan de Onvrijwillige Werkloozen. Deze leertijd beoogt hetzij hen op de hoogte te stellen van een beroep in geval zij er geen uitoefenen, hetzij hen weder aan te passen in hun eigen vak, hetzij hen in andere vakken te onderrichten.

Art. 17.

De stoffelijke schade door de burgerlijke weerstanders en werkweigeraars zelf of door hun ouders geleden, om wille van hun rechtstreeksche verzetbedrijvigheid, of naar aanleiding van door den bezetter getroffen maatregelen, zal worden vergoed op grond van de wet op de militaire opvorderingen.

Art. 18.

De Minister van Wederopbouw wordt met de toepassing van onderhavige besluitwet belast die in werking treedt van dag af der bekendmaking in het STAATSBLAD.

Gegeven te Brussel, den 24 December 1946.

KAREL.

Vanwege den Regent :
De Eerste-Minister,
Camille HUYSMANS.

De Minister van Wederopbouw,
Jean TERFVE.

De Minister van Financiën,
Jean VAUTHIER.


Copyright © 2008 Belgische Federale Overheidsdiensten | Disclaimer